| 32977 |
haver |
haver:
hā.vǝr (L319p Molenbeersel)
|
Avena sativa L. Men zaait ongeveer 200 kg haver per hectare. Zie afbeelding 1, b. [JG 1a, 1b; A 2, 31; L 35, 101; L lijst graangewassen, 3; Wi 50; monogr.; add. uit N 15, 1a]
I-4
|
| 33070 |
haverhok |
garve:
gɛrǝf (L319p Molenbeersel)
|
Zie de toelichting bij het lemma ''graanhok, stuik, mandel'' (4.6.14). [N 15, 30b; JG 1b, 1c, 2c; Goossens 1963, krt. 38; monogr.]
I-4
|
| 33386 |
haverkist, hakselkist |
hakselkist:
hɛksǝlkest (L319p Molenbeersel),
haverkist:
[haver]kest (L319p Molenbeersel
[(2 + haksel)]
)
|
De kist of bak waarin men het droge voer, tegenwoordig de haver, voor het paard bewaart. Deze kist staat meestal in de voergang in de paardestal. Vroeger werden er vooral ook haksel, soms zemelen, geplette haver, kaf of melasse in bewaard. De kist kan door een tussenwand verdeeld zijn. In het ene vak bewaart men dan meestal haver, in het andere iets anders. Soms zijn er meer dan twee vakken. Achter in het lemma staan enkele benamingen bijeen voor dit tussenschot. In het lemma wordt achter de codecijfers zoveel mogelijk met een cijfer vermeld in hoeveel delen de kist verdeeld was en wat er nog meer in bewaard werd dan de in het eerste lid van de woordtypen genoemde voedselsoort. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (haver) het lemma "haver" in aflevering I.4, nr 1.2.5 [N 5A, 59c en 72b; JG 1a en 1b; monogr.]
I-6
|
| 24167 |
havik |
stootkop:
stootkop (L319p Molenbeersel)
|
valk
III-4-1
|
| 24480 |
hazelaar |
hazelnotenstruik:
ha:zəlno:təstru:k (L319p Molenbeersel),
hazenotenstruik:
hāzənōtstruək (L319p Molenbeersel)
|
hazelstruik [ZND 26 (1937)]
III-4-3
|
| 21000 |
hazelnoot |
hazelnoot:
ha:zəlno:t (L319p Molenbeersel),
hazenoot:
hāzənōt (L319p Molenbeersel)
|
hazelnoot [ZND 26 (1937)]
III-4-3
|
| 21285 |
heer |
heer:
i.ər (L319p Molenbeersel)
|
heer [RND]
III-3-1
|
| 18015 |
hees, schor |
hees:
heis (L319p Molenbeersel),
hēͅis (L319p Molenbeersel)
|
hij is hees (zijn stem is weg) [ZND 26 (1937)]
III-1-2
|
| 20129 |
heet, hitsig |
loops:
løͅij.ps (L319p Molenbeersel)
|
heet, hitsig [Goossens 1b (1960)]
III-2-1
|
| 24168 |
heggenmus |
blauwmakertje:
blauwmakerke (L319p Molenbeersel),
blauwmakertje (L319p Molenbeersel),
blauwmèkerke (L319p Molenbeersel)
|
heggemus || heggemus, blauwe —
III-4-1
|