| 24939 |
drijfzand |
drijfzand:
drief zandj (L382p Montfort),
driefzandj (L382p Montfort),
(m.).
dr‧iefz‧andj (L382p Montfort)
|
drijfzand, met water verzadigd zand dat rustig ligt maar waarin alles wegzakt wat er druk op uitoefent [drijf, drift, vloei, papieren zolder] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 32208 |
drijver, zetbeitel |
drijfbeitel:
drīf˱bęjtǝl (L382p Montfort)
|
De drijver of zetbeitel is eerder een werktuig van de smid. Het is een stompe stalen beitel waarmee de metalen banden worden aangedreven die ter versteviging rond de naaf worden aangebracht nadat de spaakgaten zijn geboord. Meestal worden vier naafbanden aangebracht: twee aan weerszijden van de spaken en verder nog twee aan de uiteinden van de naaf. Zie ook de lemmata ɛmiddennaafbandenɛ, ɛmuilbandɛ en ɛachternaafbandɛ in wld II.11, pag. 136-139 en de daarbij horende afbeelding 214.' [N G, 30]
II-12
|
| 31420 |
drilboog |
drilboog:
drelbǭx (L382p Montfort)
|
Soort boog met handvat waaraan het drilkoord bevestigd kan worden. Zie ook afb. 127. [N 33, 127]
II-11
|
| 31418 |
drilklos |
boordrilklos:
bǭrdrelklǫs (L382p Montfort)
|
Onderdeel van een boogdrilboor, bestaande uit een houten of ijzeren rol met aan de onderkant een puntboor en aan de bovenkant een spil. Zie ook afb. 125. [N 33, 128]
II-11
|
| 31421 |
drilkoord |
driltouw:
dreltǫw (L382p Montfort)
|
Het koord van de drilboog waarmee men een boogdrilboor heen en weer kan laten draaien. Het koord wordt daartoe om de drilklos heen geslagen. Zie ook afb. 127. [N 33, 129]
II-11
|
| 33366 |
drinkbak voor de koeien |
zopenstijn:
zø̜i̯pǝstīn (L382p Montfort)
|
Uit een aantal benamingen wordt niet duidelijk om welke soort van drinkbak het gaat: los of vast, ouderwets of modern. Andere benamingen geven aan uit welk materiaal de bak vervaardigd is. [L 38, 33; monogr.; add. uit N 5A, 37a; A 10, 10]
I-6
|
| 20499 |
drinken |
de dorst lessen:
de dós lessen (L382p Montfort),
lessen:
lessen (L382p Montfort),
lèssə (L382p Montfort),
lésse (L382p Montfort)
|
drinken; Hoe noemt U: De dorst doen ophouden (lessen, blussen, verslaan) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 34333 |
drinken bij de zeug |
lotsen:
lutšǝ (L382p Montfort)
|
Het zuigen of drinken bij de zeug, gezegd van de big. [N 19, 21a]
I-12
|
| 19574 |
drinkglas |
glas:
glās (L382p Montfort)
|
drinkglas [RND]
III-2-1
|
| 33672 |
drinkkuil in de wei |
drenk:
dręŋk (L382p Montfort),
drinkgat:
dreŋkgāt (L382p Montfort)
|
Een kuil in het weiland met drinkwater voor het vee. De woordtypen drinkput en put duiden op een put gemaakt van cementen ringen. [N 14, 70; A 21, 1h; monogr.]
I-8
|