e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montfort

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
molsla molsalade: mols slaaj (Montfort) De bladeren van een paardebloem die onder een molshoop gee en mals blijven en die als sla gegeten worden (molsla, suikerij, veldsla, platter). [N 82 (1981)] I-7
mompelen mommelen: Van Dale: mommelen, 1. binnensmonds spreken, mompelen. Vgl. mummelen.  momele (Montfort), mompelen: mompələ (Montfort), morren: morrə (Montfort) binnensmonds mompelen, gezegd van iemand die kwade zin heeft [morren, mompelen, mommelen, mopperen] [N 87 (1981)] III-3-1
mompelend heen en weer draaien jengelen: jengelen (Montfort), mokken: mokkə (Montfort) Mompelend heen en weer draaien (moesjanken). [N 84 (1981)] III-1-2
mond mond: mondj (Montfort), mu.ṇḍ (Montfort), munj (Montfort) mond [RND], [SGV (1914)] || monden [SGV (1914)] III-1-1
mondharmonica mondmonica: mondjmonica (Montfort), monica: mooneka (Montfort) Het muziekinstrument dat langs de mond op en neer bewogen wordt en waarop geluid gemaakt kan worden door blazen en zuigen [fiep, moelfiep, noeneke, mondharmonika, muziek]. [N 90 (1982)] III-3-2
mondstuk embouchure (fr.): amazuur (Montfort), mondstuk: mondstuik (Montfort) Het mondstuk van een muziekinstrument [ammezuur, hap]. [N 90 (1982)] III-3-2
mondvol hap: (vaste stof).  hap (Montfort), moelvol: n moel vol (Montfort), mondvol: (water).  montvol (Montfort) de hoeveelheid vloeistof of voedsel die men in één keer in de mond kan nemen [mondvol, moffel] [N 91 (1982)] III-4-4
monnik monnik: monnik (Montfort), pater (lat.): pater (Montfort) monnik [SGV (1914)] III-3-3
monnikskap monnikskap: eigen spelling  monnikskap (Montfort), paterskap: WLD  paters kap (Montfort) Monnikskap (aconitum napellus). De bloemen zijn licht- of donkerblauw, soms ook wit of blauw met wit, groeien in dichte trossen. De wortel bestaat uit twee aaneen gegroeide bietvormige delen. De gehele plant is zeer vergiftig, voor de mens zelfs de honing [N 92 (1982)] III-4-3
monstrans monstrans (lat.): monstrans (Montfort, ... ) De heilige vaten, het liturgisch vaatwerk [kelken, cibories, monstrans]. [N 96A (1989)] || Een monstrans, een gouden of zilveren, meestal zonvormig vaatwerk waarin de H. Hostie ter aanbidding wordt uitgesteld. [N 96B (1989)] III-3-3