| 24926 |
mul (zand) |
mul:
muil (L382p Montfort)
|
mul [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 33687 |
mulle grond |
melm:
mɛlm (L382p Montfort)
|
Droge losse grond, zonder kluiten. [N 27, 37a; monogr.]
I-8
|
| 34392 |
muntig schaap |
brak:
brak (L382p Montfort)
|
Schaap dat eenmaal gelamd heeft en dan onvruchtbaar blijft. [N 19, 66]
I-12
|
| 34069 |
muntige koe |
leeg beest:
lēx bīs (L382p Montfort)
|
Koe die men een tijdlang vrij wil houden en daarom niet laat dekken als ze tochtig is. Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1). [N 3A, 28]
I-11
|
| 24694 |
muskusplantje |
apebloem:
WLD
ape bloom (L382p Montfort),
muskus:
eigen spelling
muskus (L382p Montfort)
|
Muskusplantje (mimulus moschatus). De bloempjes zijn klein en bleekgeel. De plant is kleverig behaard, soms naar muskus ruikend. De stengels worden niet hoger dan 20 cm. De bladeren zijn klein en spits ovaal (muskus, maskerbloem, apebloem, muilke). [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 18418 |
muts: algemeen |
muts:
møts (L382p Montfort),
pats:
patš (L382p Montfort)
|
pet, muts, klak [RND]
III-1-3
|
| 33627 |
mutsaard, houtmijt |
schansenberm:
sjanseberm (L382p Montfort, ...
L382p Montfort)
|
houtmijt, stapel takkebossen [N 05A (1964)] || houtmijt, stapel takkenbossen [N 27 (1965)]
I-7
|
| 30091 |
muur |
muur:
mūr (L382p Montfort)
|
Uit diverse materialen, bijvoorbeeld baksteen of beton, opgetrokken bouwwerk ter afscheiding of ter ondersteuning. In dit en de volgende lemmata wordt onder een 'muur' vooral een uit bakstenen samengestelde afscheiding verstaan. Het woord 'wand' wordt in het onderzoeksgebied meestal gebruikt voor een uit verticale en horizontale balken samengestelde muur die vervolgens met vlechtwerk of metselwerk wordt opgevuld. Zie ook de paragraaf over het vak- en vlechtwerk. Worden in een gebouw een of meer kelders aangebracht, dan worden de muren die de kelder omsluiten geheel van harde metselsteen en waterdichte mortel opgetrokken. Een muur die boven de grond wordt opgemetseld, noemt men een 'opgaande muur'. Bij de muren van gebouwen onderscheidt men buiten- en binnenmuren en de voor-, zij- en achtergevel, de muren die respectievelijk de voorzijde, de zijkant en de achterzijde van het bouwwerk vormen. [N 31, 32a; S 25; L 1 a-m; L 6, 41b; L 12, 5; monogr.; Vld]
II-9
|
| 30264 |
muurblokken |
muurklossen:
mūrklǫsǝ (L382p Montfort)
|
Vierkante houten blokjes die men in de muur metselt, om er later de dagstukken van de deur op vast te maken. Volgens de invuller uit L 210 werden muurblokken in het noorden van Nederlands Limburg niet toegepast. [N 32, 11c; N 55, 19b; monogr.]
II-9
|
| 30231 |
muurdam, penant |
raamscheidingsstuk:
rāmšęjdeŋsštø̜k (L382p Montfort),
tussenmuur:
tøsǝmūr (L382p Montfort)
|
Betrekkelijk smal stuk muur tussen twee vensters of tussen een venster en een andere muur. [N 55, 75; N 32, 12b; N 32, 14; monogr.]
II-9
|