| 18984 |
teleurstellen |
tegenvallen:
teugevalle (L382p Montfort),
tègə vallə (L382p Montfort)
|
niet krijgen of ontvangen wat men had verwacht, in zijn verwachtingen bedrogen worden [teleur vallen] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19253 |
ten einde brengen |
afmaken:
aafmaakə (L382p Montfort),
aafmaken (L382p Montfort)
|
een werk ten einde brengen, afmaken [bolwerken, opzeilen] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 23638 |
ten offer gaan |
offeren:
gaon offere (L382p Montfort, ...
L382p Montfort),
ten offer gaan:
ten offer gaon (L382p Montfort)
|
De offergang maken, ten offer gaan. [N 96B (1989)] || De offergang, rondgang van de gelovigen rond het offerblok [offergank?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 24055 |
ten volle bediend zijn |
bediend zijn:
bedeendj zeen (L382p Montfort)
|
Ten volle bediend zijn, d.w.z. gebiecht, de H. Communie en het H. Oliesel ontvangen hebben. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 17632 |
tepel |
deem:
dēm (L382p Montfort)
|
Deem, speen, borst. [A 30, 6e; L 49, 6e; N 8, 39a, 39b en 40]
I-9
|
| 34320 |
tepel, tet |
deem:
dēm (L382p Montfort)
|
Het afzonderlijk melkgevend orgaan van het varken of de tepel. [N 19, 19a; JG 1a, 1b; L 49, 6d; A 30, 6d; G 1, 6d; monogr.]
I-12
|
| 20477 |
ter begrafenis gaan |
ter lijk gaan:
ter leik gaon (L382p Montfort),
ter liek gaon (L382p Montfort),
tèr liek gaon (L382p Montfort)
|
een begrafenis gaan bijwonen [begaan, te lijk gaan, ter bier gaan, gaan kezen, op de korte snee gaan] [N 87 (1981)] || ter begrafenis gaan [N 96D (1989)]
III-2-2
|
| 19448 |
terras |
berm:
berm (L382p Montfort),
groesje:
gr‧ø̄skə (L382p Montfort)
|
Stuk grond voor een huis, hoger gelegen dan het omliggende terrein, als zitplaats ingericht (plentjes, berm, terras) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 18127 |
tetanus |
klem:
klem (L382p Montfort, ...
L382p Montfort),
klèm (L382p Montfort)
|
Als in een wondje straatvuil komt, kan er een infectieziekte ontstaan. De wetenschappelijke naam van die ziekte is Tetanus. Hoe noemt men die ziekte in uw dialect? [DC 60 (1985)] || Tetanus: ziekte waarbij een verstijving van de spieren optreedt, die begint bij de kauwspieren en zich dan uitspreidt over de rompspieren (klem). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 33760 |
tetveulen |
zuigveulen:
zø̜i̯xvø̄lǝ (L382p Montfort)
|
Veulen dat nog gezoogd wordt. Een tetveulen is ouder dan een zuigeling en kan verkocht worden. [JG 1a, 1b; N 8, 2]
I-9
|