| 20373 |
trouwkostuum bruidegom |
bruidspak:
broedspak (L382p Montfort),
trouwpak:
trouwpak (L382p Montfort)
|
het bruidspak van de man [broedsantsoch, broeds-mantoer] [N 96D (1989)]
III-2-2
|
| 20176 |
trouwring |
trouwring:
trouwrink (L382p Montfort)
|
een trouwring [N 96D (1989)]
III-2-2
|
| 18083 |
tuberculose |
t.b.:
t.b. (L382p Montfort),
tering:
tering (L382p Montfort),
tèring (L382p Montfort)
|
Een besmettelijke ziekte die ontstaat doordat tuberkelbacteriën in het lichaam van het dier geraken. De besmetting kan op verschillde wijzen gebeuren: direct, doordat de smetstof met de ingeademde lucht of het opgenomen voedsel van lijders aan tuberculose belandt in het lichaam van gezonde stalgenoten; indirect, doordat de smetstof via zuivelfabrieken met de melk van het ene bedrijf op het andere terechtkomt. Het is een slepende ziekte. Zie ook het lemma ''tuberculose'' in wbd I.3, blz. 483.' [N 3A, 85a; N 52, 17a; A 48A, 30a] || Tuberculose: infectieziekte veroorzaakt door de tuberkelbacil die vrijwel alle organen kan aantasten, meestal echter de longen (tering, teer, loosziekte). [N 84 (1981)]
I-11, III-1-2
|
| 34289 |
tuieren |
tuieren:
tø̜i̯ǝrǝ (L382p Montfort),
tūi̯ǝrǝ (L382p Montfort)
|
Een koe of geit laten grazen aan een touw dat met een paal in de grond bevestigd is. Men doet dit om het af te grazen stuk grasland te beperken. [N 3A, 14h; N 14, 71; L 27, 5; A 17, 20; JG 1c, 2c; Vld.; monogr.]
I-11
|
| 34296 |
tuierhamer |
tuierhamer:
tȳi̯ǝrhāmǝr (L382p Montfort),
tȳǝrhāmǝr (L382p Montfort)
|
De zware, houten hamer waarmee men de tuierpaal in de grond drijft. [N 14, 73b en 74; N 3A, 14h; A 17, 20; monogr.; add. uit N 14, 71; S 15]
I-11
|
| 34293 |
tuierpaal |
tuierpaal:
tȳi̯ǝrpǭl (L382p Montfort),
tuierstaak:
tyǝrstāk (L382p Montfort)
|
De tuierpaal is een houten of ijzeren paal die men met de tuierhamer in de grond slaat en waaraan de koe of geit wordt vastgebonden. [N 14, 72 en 73a; N 3A, 14h; JG 1c, 2c; L 40, 21a; L B2, 286; A 17, 20; monogr. add. uit N 14, 71]
I-11
|
| 34291 |
tuierplaats |
tuierplaats:
tyǝrplāts (L382p Montfort)
|
Cirkelvormig stuk weiland dat een getuierde koe of geit kan afgrazen. [N 14, 72; monogr.]
I-11
|
| 34295 |
tuiertouw, tuierketting |
tuier:
tyi̯ǝr (L382p Montfort)
|
Het touw of de ketting waarmee men de koe of de geit aan de tuierpaal vastmaakt. [A 17, 20; N 3a, 14h; JG 1c, 2c; monogr.; add. uit N 14, 73b]
I-11
|
| 34292 |
tuiertuig |
tuiertuig:
tȳǝrtȳx (L382p Montfort)
|
Het tuiergereedschap in het algemeen. [N 3A, 14h]
I-11
|
| 31148 |
tuigleer, zadelleer |
tuigleer:
tȳxlę̄r (L382p Montfort)
|
Het leer zoals de zadelmaker dat van de looier betrekt. Het is bestemd voor zadel, haam en riemen van paarden. Het woordtype bloot duidt op huid of vel waarvan de haren verwijderd zijn. [N 36, 1; Li 1963, 45]
II-10
|