| 24865 |
zwarte nachtschade |
wolfsbes:
WLD
wolfs bes (L382p Montfort),
zwarte nachtschade:
zwartǝ naxtsxa (L382p Montfort),
-
zwarte nachscha (L382p Montfort, ...
L382p Montfort)
|
Solanum nigrum L. subsp. nigrum. Zeer algemeen voorkomend onkruid op bouwland, in moestuinen en open bermen met witte stervormige bloempjes en giftige zaden in de vorm van zwarte (rijpe) of groene tot gele (onrijpe) bessen of bolletjes. Het bloeit van juni tot de herfst. De lengte varieert van 5 tot 60 cm. Het type wiemelen is een variant van ɛwiemerenɛ, uit ɛwijn-berenɛ, "aalbessen". Bij tinkruid wordt opgemerkt: "men schuurt er tin mee". [JG 1a, 1b, 2c; A 43, 10; A 60A, 69; monogr.] || zwarte nachtschade (Solanum nigrum L.) [DC 60a (1985)] || Zwarte nachtschade (solanum nigrum). Een 10 tot 40 cm grote, kruidachtige plant, niet windend; de stengels zijn iets behaard of kaal; de bladeren zijn iets eivormig, gaafrandig of iets bochtig getand; de bloemen groeien in schermvormige trossen, wit van k [N 92 (1982)]
I-5, III-4-3
|
| 24740 |
zwarte populier |
blauwe canada:
blauwe canada (L382p Montfort),
peppel:
WLD
pèppəl (L382p Montfort),
popelaar:
WLD
popəleer (L382p Montfort)
|
De zwarte populier; heeft op oudere leeftijd een heel donkere schors met diepe groeven, de ruitvormige bladeren zijn donkergroen (peppel, blauwe populier). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 24288 |
zwarte roodstaart |
kersvink:
keesvink (L382p Montfort),
roodstaart:
rôêtstèrt (L382p Montfort)
|
zwarte roodstaart
III-4-1
|
| 33890 |
zwarte staar |
zwarte staar:
zwartǝ štār (L382p Montfort)
|
Deze vorm van staar, waarbij het netvlies en de oogzenuw verlamd zijn, openbaart zich door blindheid en onbeweeglijkheid van de pupil bij verschillend licht. Het oog behoudt wel zijn natuurlijke kleur, vorm en glans, zodat een leek de kwaal gewoonlijk niet of eerst laat vaststelt, maar de kenner ontdekt haar aan de strakke uitdrukking van het paard met "staande ogen" en de onbeweeglijkheid van de pupil. [A 48A, 39b; N 52, 26]
I-9
|
| 22397 |
zwartepieten (kaartspel) |
zwartepieten:
zwartepieten (L382p Montfort)
|
Namen [en beschrijving] van diverse kaartspelen zoals: [bonken, eenentwintigen, hoogjassen, kajoeteren, klaverjassen, kwetten, kruisjassen, liegen, pandoeren, petoeten, schuppemiejen, smousjassen, tikken, toepen, wijveren, zwartebetten, zwartepieten, zwik [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 31173 |
zwartmiddel |
leerappretuur:
lę̄rapǝrǝtȳr (L382p Montfort),
roestwater:
rūswātǝr (L382p Montfort)
|
Het middel dat men gebruikt om het leer een zwarte glans te geven. Het betreft hier benamingen voor middelen die niet alle inhoudelijk precies gelijk zijn. Sommige werden vroeger gebruikt, andere zijn modern. [N 36, 46]
II-10
|
| 33995 |
zweep |
karwats:
kǝrwatš (L382p Montfort),
smik:
smek (L382p Montfort)
|
Voorwerp om het paard aan te drijven, bestaande uit een steel (cf. lemma Steel) en een snoer (cf. lemma Snoer). [JG 1a, 1b, 2b, 2c; L 8, 141; L 14, 31; L B2, 244; N 13, 94; S 47; Wi 5, 10; monogr.]
I-10
|
| 34214 |
zweep van de koeherder |
smik:
smek (L382p Montfort)
|
Zweep om bijvoorbeeld de koeien naar de stal te brengen. [N 18, 146]
I-11
|
| 18105 |
zweer |
zweer:
zweer (L382p Montfort),
zwèr (L382p Montfort)
|
Zweer: huidontsteking vaak met ettervorming ten gevolge van een infectie (zweer, zwerage, zwerije). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 18056 |
zweet |
zweet:
zwēīt (L382p Montfort)
|
zweet [N 10 (1961)]
III-1-2
|