| 25117 |
dauw |
dauw:
dauw (L382p Montfort),
grijs:
gries (L382p Montfort)
|
dauw die s morgens over de velden hangt [doom, domp, mok] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 33519 |
dauw op vruchten |
dons:
dons (L382p Montfort),
waas:
was (L382p Montfort)
|
Het tijdens de rijping op druiven, pruimen, appelen, etc. ontstane laagje dat de glans verdoft en aan de vruchten een frisse aanblik geeft (dauw, loom, dons, was). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 22521 |
dauwtrappen |
dauwtrappen:
dauwtrappen (L382p Montfort)
|
Het volksgebruik om op hemelvaartsdag (maar ook op de 2e pinksterdag of de eerste zondag in mei) vroeg naar buiten te gaan en zich daar te ontspannen [dauwtrappen]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 32891 |
daverwaat |
daverwaat:
dāvǝrwāt (L382p Montfort)
|
Blad van de zeis dat zijn spanning heeft verloren en "klappert" bij het maaien. Dit kan gebeuren wanneer het blad door veelvuldig gebruik en wetten te dun is geworden en de zeis versleten raakt. Maar een zeis kan ook "daverwatig" worden als er ondeskundig is gehaard, onregelmatig of te ver van de eigenlijke snede af, naast het haarpad, of wanneer er te lang op één en dezelfde plaats is geslagen. Men vindt in dit lemma substantieven (zoals daverwaat (subst. èn adj.), daverblad, klapzeis), adjectieven (zoals daverwatig, klapperwatig, versleten) en uitdrukkingen (zoals er zit de koekoek in of de zeis fronselt) bijeen. [N 18, 89; monogr.]
I-3
|
| 23992 |
de absolutie geven |
absolutie (<fr.) geven:
apseluusje gaeve (L382p Montfort)
|
De absolutie geven [absolvere]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23256 |
de avond luiden |
de avondsklok luiden:
aovesklok (L382p Montfort),
aovesklok loetj (L382p Montfort)
|
Het angelus luiden aan het begin van de avond [het luidt......?] [de koster luidt......?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 18898 |
de baas spelen |
baas spelen:
baas spelen (L382p Montfort),
beheren:
beheére (L382p Montfort),
bəheerə (L382p Montfort),
de baas spelen:
də baas speelə (L382p Montfort)
|
de baas spelen, het voor het zeggen willen hebben [oversukkelen] [N 85 (1981)] || de verantwoording hebben over een zaak of instelling [beheren, regeren] [N 85 (1981)] || een sterke neiging tot heersen of overheersen hebbend [heerzaam, heerzuchtig] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 22542 |
de bezem uitsteken |
bezemen:
bessemen (L382p Montfort)
|
Het feest dat door de kinderen gegeven wordt als vader en moeder uit huis zijn [bezemen, bezem hebben, de bezem uitsteken]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 23888 |
de catechismusles bijwonen |
naar de kerk gaan:
nao de kerk gaon (L382p Montfort)
|
De katechismusles bijwonen. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23892 |
de catechismusles verzuimen |
verzuimen:
verzoeme (L382p Montfort)
|
De katechismusles verzuimen. [N 96D (1989)]
III-3-3
|