| 22087 |
dennennaalden |
dennenspangen:
dennespang (L382p Montfort)
|
dennennaald [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 24566 |
dennentakje met een harsknopje |
oliekop:
olie kop (L382p Montfort),
wierook:
WLD
wierook (L382p Montfort)
|
Een dennetakje met een bolvormig knopje terpentijn aan het einde (oliekop, olieknop, olielampje, luchtlampje). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 24738 |
dennentakje met een pluim |
pluim:
WLD
pluum (L382p Montfort)
|
Een takje met een pluim, aan een den (plos). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 24537 |
dennenwortel |
piel:
piel (L382p Montfort),
poest:
WLD
puus (L382p Montfort),
stronk:
stronk (L382p Montfort),
WLD
strónk (L382p Montfort)
|
De wortel van een denneboom (puist, stronk, wortel, stol). [N 82 (1981)] || penvormige wortel van een denneboom [N 27 (1965)]
III-4-3
|
| 32957 |
derde hooioogst |
derde snid:
dęrdǝ snēt (L382p Montfort)
|
Uitdrukkelijk gevraagd naar de derde hooioogst, gaven sommige informanten de volgende antwoorden; vaak werd deze derde oogst echter niet meer gemaaid maar door de koeien of schapen afgegraasd. Zie de algemene toelichting bij deze paragraaf. [N 14, 128d]
I-3
|
| 20597 |
desemen |
desemen:
deisemen (L382p Montfort, ...
L382p Montfort),
kneden:
knèje (L382p Montfort)
|
desemen; Hoe noemt U: Zuurdeeg in het beslag voor brood doen, desemen (zuren, mengen, desemen, het zuur zetten) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 23319 |
deugd |
deugd:
deug (L382p Montfort)
|
Deugd. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 19167 |
deugniet |
deugniet:
deugneet (L382p Montfort, ...
L382p Montfort,
L382p Montfort),
kwajong:
kwaojong (L382p Montfort),
stinkgat:
stinkgaat (L382p Montfort),
stropper:
strubber (L382p Montfort)
|
deugniet [SGV (1914)] || een ondeugend kind [stinkgat, deugniet] [N 85 (1981)] || een ondeugende jongen die allerlei streken uithaalt [pagadder, horzak, luifer] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19684 |
deur |
deur:
dø̄r (L382p Montfort)
|
[rnd 109; S 6; L 1 a-m; L 12, 5; L A2, 265; monogr.; Vld.; div.]
II-9
|
| 19372 |
deurknop, deurklink |
klink:
kle.ŋk (L382p Montfort),
klink (L382p Montfort)
|
Knop of handgreep waarmee men een deur opent of sluit (klink, kruk, knop) [N 79 (1979)]
III-2-1
|