e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

Gevonden: 3044
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
hielstuk van een schoen contrefort (fr.): kőtrəfor (Montzen), stootje: styətšə (Montzen) Een stijf stuk leer tot meerdere stevigheid in de schacht aan de hielkant tussen leer en voering vastgekleefd (contrefort, hielstijf, bezetsel?) [N 60 (1973)] || Hielstukje? [N 60 (1973)] III-1-3
hielstukje stootje: štyǝtšǝ (Montzen) Ingezet stuk of bezetstuk in de hak aan de binnenkant. [N 60, 169b] II-10
hiernamaals spter (du.) leven: ət sjpiədər lɛɛvə (Montzen) Het hiernamaals, het namaals, het leven na dit leven. [N 96D (1989)] III-3-3
hij aardt naar zijn vader hij aardt naar zijn vader: heə at nò zə vaadər (Montzen), hij trekt op zijn vader: héə trèkt op zə vaadər (Montzen) naar zijn vader aarden; hij aardt naar zijn vader [ZND 19 (1936)] III-2-2
hijgen gijchten: ze jägden (Montzen), gijgen: gè:che (Montzen), zə gēͅ:chə (Montzen) hijgen (naar adem) [ZND m] || zij hijgen (naar adem) [ZND 01u (1924)] III-1-2
hik hik: hek (Montzen), hikkepik: hekəpek (Montzen) Hik (hikkepik, nikkop, nik). [N 109 (2001)] III-1-2
hinderen generen (<fr.): ẓenére (Montzen), hinderen: héŋərə (Montzen) Hinderen. [ZND m] III-3-1
hoed (alg.) hoed: hōt (Montzen), hu:t (Montzen), hū:t (Montzen) hoed [RND] || hoed (enkelvoud - meervoud) [ZND 08 (1925)], [ZND m] III-1-3
hoeden van koeien hoeden: hȳnǝ (Montzen), hø̜̄nǝ (Montzen), hø̜nǝ (Montzen), weiden: węi̯jǝ (Montzen) [N 3A, 12a; N M, 2; JG 1a, 1b; A 48, 18c; L 1a-m; L 27, 5; S 14; Wi 39; R; monogr.] I-11
hoefijzer hoefijzer: huf˱īzǝr (Montzen) IJzeren hoefbescherming, meestal in de vorm van de onderrand van de hoef. Het hoefijzer wordt doorgaans met behulp van hoefnagels aan de hoef bevestigd. Zie ook afb. 221 en het lemma ɛhoefijzer met speciale vorm of uitrustingɛ.' [N 13, 84; N 33, 352; L 35, 104; L 27, 6 add.; JG 1a; JG 1b; monogr.; Vld.] II-11