| 31008 |
inplak |
vulsel:
vølsǝl (Q253p Montzen),
ziel:
ziǝl (Q253p Montzen)
|
Stukjes ingeplakt afvalleer of teervilt waarmee men holtes opvult, die ontstaan door oneffenheden onder aan de binnenkant, vooral door het onderzetten van de cambreur. Volgens de informant van Q 253 bestaat de ziel uit twee dunne stukjes hard leer, op elkaar los ingewerkt tussen de bal van de hak. Deze worden er ingewerkt om de schoen te laten kraken. [N 60, 91; N 60, 172a; N 60, 172b]
II-10
|
| 18453 |
inplak [wld ii.10, p. 42] |
vulsel:
vølsəl (Q253p Montzen)
|
Stukjes ingeplakt afvalleer of teervilt om holtes op te vullen die ontstaan door oneffen heden onder aan de binnenkant, vooral door het onderzetten van de cambreur? (inplank, inleg?) [N 60 (1973)]
III-1-3
|
| 30980 |
inplakzool |
schutzool:
šøtszǭl (Q253p Montzen)
|
Het zooltje dat in het betere schoeisel ingeplakt wordt. [N 60, 171c]
II-10
|
| 18473 |
inplakzool [wld ii.10, p. 35] |
schutszool:
šøtszōl (Q253p Montzen)
|
Het zooltje dat in betere damesschoenen ingelijmd wordt? (inplakzooltje?) [N 60 (1973)]
III-1-3
|
| 30916 |
inschot |
opening:
ø̜ǝpǝnǝŋ (Q253p Montzen)
|
De plaats waar men met de voet in de schoen schiet. [N 60, 29; N 60, 192]
II-10
|
| 18490 |
inschot [wld ii.10, p. 24] |
opening:
øəpənəŋ (Q253p Montzen)
|
De plaats waar men met de voet in de schoen schiet (inschot)? [N 60 (1973)]
III-1-3
|
| 29263 |
inslag |
inslag:
ę̄šlāx (Q253p Montzen)
|
Het stuk overleer dat men bij het overhalen over de rand van de binnenvoet trekt om dit tussen binnenzool en tussenzool te kunnen vastnaaien. [N 60, 86]
II-10
|
| 18501 |
inslag [wld ii.10, p. 39] |
inslag:
ɛ̄šlāx (Q253p Montzen)
|
Het stuk overleer dat men bij het overhalen over de rand van de binnenvoet trekt om dit tussen binnenzool en tussenzool te kunnen vastnaaien? (inslag?) [N 60 (1973)]
III-1-3
|
| 31018 |
insmeren |
insmeren:
ę̄šmę̄rǝ (Q253p Montzen)
|
Het met lijm besmeren van de bovenzool na het kloppen. "De bovenzool wordt, na eerst ruw uitgesneden en in water elastisch te zijn gemaakt, op een kei geklopt om eventueel later trekken te voorkomen, daarna met lijm besmeerd en met een paar spijkers aan de hak en één bij den neus voorlopig vastgezet." (Directie, pag, 301). [N 60, 100]
II-10
|
| 34001 |
inspannen |
aanspannen:
ānšpanǝ (Q253p Montzen)
|
Het opgetuigde paard voor een kar met berries spannen. Men plaatst het tussen de berries, waaraan de draagriem, de brede buikriem, en de strengen worden vastgemaakt. Voor andere voer- en landbouwwerktuigen wordt het paard niet in- maar aangespannen. De term inspannen werd echter ook enkele keren in de hier behandelde betekenis opgegeven. [JG 1b; N 8, 98a; RND 74]
I-10
|