| 19695 |
kast |
schap:
šāf (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen)
|
kast [ZND 01 (1922)] || Leg die broden op de kast [ZND 05 (1924)]
III-2-1
|
| 23448 |
kast voor liturgische gewaden |
schap:
et sāf (Q253p Montzen)
|
De kast(en) waarin deze gewaden liggend worden opgeborgen. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 28440 |
kastdeksel |
dak:
dāk (Q253p Montzen),
deksel:
dɛksǝl (Q253p Montzen)
|
Een dekplank of dak op de kast die de bovenste kamer moet afdekken. Een dergelijk dak beschut bijen, broed en voorraad voor regen en wind. De plank heeft de oppervlakte van de broedkamer. Ze moet bijenruimte boven de ramen laten. Een combinatie van dekplank en bijenuitlaat is mogelijk maar dan moet het gat voor de uitlaat niet in het midden maar zo dicht mogelijk bij een der ramen zitten. [N 63, 10j; N 63, 10k; Ge 37, 25]
II-6
|
| 23345 |
kathedraal |
kathedraal:
de katedrāl (Q253p Montzen)
|
Een kathedraal. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23213 |
katholiek |
katholiek (<fr.):
katolik (Q253p Montzen),
katholisch (du.):
katoles (Q253p Montzen)
|
Katholiek. [ZND 01 (1922)]
III-3-3
|
| 28768 |
katoen |
boomwol:
bōwol (Q253p Montzen),
katoen:
katū.n (Q253p Montzen)
|
Uit katoendraden geweven stof. Leverancier van de katoendraad is een kruid-, struik- of boomachtige plant ø̄voor het grootste deel verbouwd in Noord-Amerika, Zuid-Amerika, Egypte (macco of mako), Oost-Indië, China, Ethiopië en Ruslandø̄ (Bonthond, s.v. ø̄katoenø̄). [N 62, 85; N 62, 77; N 62, 75c; N 59, 201; MW; L 1a-m; L 27, 73; L 41, 40a; S 17; monogr.]
II-7
|
| 24179 |
kauw |
dool:
dōͅ:l (Q253p Montzen),
dooltje:
døͅlšə (Q253p Montzen)
|
kerkkauw [ZND 01 (1922)]
III-4-1
|
| 20488 |
kauwen |
kauwen:
verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m
köēͅn (Q253p Montzen),
verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m nb. omspelling?
ky‧y.ə (Q253p Montzen)
|
kauwen [ZND 01u (1924)]
III-2-3
|
| 23273 |
kazuifel |
kazuifel:
schazy(3)̄bəl (Q253p Montzen)
|
Het kazuifel, het opperkleed dat de priester tijdens de mis draagt [kazufel, kazel, kruifel?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 17628 |
keel, strot |
strot:
schtroat (Q253p Montzen),
schtròat (Q253p Montzen),
sjtrowət (Q253p Montzen),
straūt (Q253p Montzen),
ṣtru.at (Q253p Montzen)
|
Pak hem bij zijn strot (keel). [ZND 07 (1924)] || strot [RND]
III-1-1
|