| 31305 |
beitel |
beitel:
bē̜tǝl (Q253p Montzen),
bẽ̜.tǝl (Q253p Montzen)
|
De algemene benaming voor het stalen werktuig met een wigvormige snede dat dient om bijvoorbeeld gaten of uitsparingen in hout te steken of te hakken. Beitels die door houtbewerkers worden gebruikt, bestaan uit een beitelblad dat aan de onderzijde in een snede uitloopt en aan de bovenzijde via een versmalling, de hals, en vervolgens een verbreding, de borst, in een pin eindigt. Deze pin, de arend, wordt in het houten handvat van de beitel gestoken. Zie ook afb. 63 en vgl. het lemma ɛbeitelɛ in Wld II.11, pag. 33. Het betreft daar de beitel met een andere vorm die door de smid wordt gebruikt bij het doorhakken en splijten van koud of verhit metaal.' [N 53, 34a; N G, 24; L 1a-m; L 21, 12; L 45, 12a; L A2, 434; A 14, 12a; monogr.]
II-12
|
| 28924 |
beitelblok |
blij:
blēj (Q253p Montzen)
|
Stuk lood dat men onder het met de knoopsgatenbeitel uit te ponsen knoopsgat legt. De informanten van L 417, Q 7, Q 88 en Q 99 geven aan dit beiteltje nooit gebruikt te hebben. De informanten van K 361 en Q 121c namen hiervoor een stuk karton, eventueel met een blaadje lood op de helft bevestigd (Q 121c). De informant van Q 95 zegt dat de kleermakers vaker een eikehouten blok als lood gebruikten. De informant van Q 83 maakte van hennep of binnenwerk een onderlegger. Een andere informant van Q 83 hanteerde een ø̄brikjeø̄, vroeger gemaakt van aardewerk, nu van kunststof. De informant van L 265 gebruikte geen beitel maar de knoopsgatenschaar. [N 59, 29b]
II-7
|
| 24301 |
bek |
bek:
bɛk (Q253p Montzen),
muil:
mul (Q253p Montzen),
gehele NOL
mu‧l (Q253p Montzen)
|
Het voorste, getande gedeelte bij de rek- en zwiktangen. [N 60, 83d] || muil [ZND 01 (1922)] || muil, bek
II-10, III-4-2
|
| 19963 |
beker |
beker:
beͅxər (Q253p Montzen)
|
beker [ZND m]
III-2-1
|
| 23199 |
beloken pasen |
witte zondag:
wetə zōndəch (Q253p Montzen)
|
De eerste zondag na Pasen, Beloken Pasen, de laatste dag dat men zijn Paasplicht kon vervullen [gebroke Paose, Wiesse Zóndiech]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 21464 |
beloven |
verspreken:
vərsjprɛəkə (Q253p Montzen)
|
beloven [gelaove, belaove] [N 96D (1989)]
III-3-1
|
| 32572 |
bemesten |
mesten:
męstǝ (Q253p Montzen)
|
De in dit lemma opgenomen woorden betekenen "mest in het land doen, het land vruchtbaar maken met stalmest". Ze worden doorgaans gebruikt in combinatie met "akker", "(stuk) land" e.d., ook al is dit object - behoudens een enkele uitzondering - bij de onderstaande woordtypen er niet bij vermeld. Voor mesten in de zin van "mest naar het land brengen" en "mest over het land uitspreiden" zie men de lemmata mest uitrijden en mest verspreiden. [JG 1a + 1b; N 11, 14; N 11A, 1; L 1a -m; L 31, 18; S 23; mongr.]
I-1
|
| 25103 |
benauwd en vochtig weer |
zwoel (weer):
ps. omgespeld volgens Frings.
zwø͂ͅl (Q253p Montzen)
|
zwoel [ZND 08 (1925)]
III-4-4
|
| 17672 |
benen (spotnamen) |
stelten:
ṣtɛ̄lsə (Q253p Montzen)
|
Spotbenamingen voor de benen [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 24916 |
bergx |
bergen (mv.):
mv.!
bérrəch (Q253p Montzen)
|
berg (bergen) [RND]
III-4-4
|