| 18125 |
melaatsheid |
lepra:
lēpra (Q253p Montzen)
|
Melaatsheid: lepra, in de huid ontstaan knobbels; de ziekte kan tot afschuwelijke verminkingen leiden (leproosheid, lepra, melaats, lazerij). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 34237 |
melk |
melk:
melǝk (Q253p Montzen),
milǝk (Q253p Montzen),
mī.lǝk (Q253p Montzen)
|
De hoofdzakelijk uit water, eiwit, vet en melksuiker bestaande witte vloeistof die door het vrouwelijk rund wordt afgescheiden. Op de kaart is het woordtype melk niet opgenomen. [A3, 3; A 11, 1c; A 17, 17; A 7, 14; RND 40; RND 127; S 23; JG 1a, 1b, 2c; L 1a-m; L 4, 3; L 29, 5; NE 3, V 6n; Vld.; Gwn 10, 1; monogr.]
I-11
|
| 21288 |
melkboer |
melksman:
miləksma:n (Q253p Montzen)
|
melkboer [RND]
III-3-1
|
| 34226 |
melken |
melken:
mę̃.lǝkǝ (Q253p Montzen)
|
Melk uit de uiers van de koe drukken. Zie afbeelding 9. [L 38, 44; JG 1a, 1b; Wi 26; Vld.; monogr.]
I-11
|
| 17624 |
melktanden |
bijtertjes:
bitskere (Q253p Montzen),
moederstand:
mūstānt (Q253p Montzen),
tandjes-0:
tenschere (Q253p Montzen)
|
kinderwoord voor tanden [ZND 07 (1924)] || Melktanden (zuigtanden, memmentanden, bijtertjes) [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 19137 |
menen |
menen:
miŋə (Q253p Montzen)
|
Menen. [ZND m]
III-3-1
|
| 24212 |
merel |
merel:
me͂ͅə.l (Q253p Montzen),
mäl (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen)
|
merel [ZND 01 (1922)], [ZND 01 (1922)]
III-4-1
|
| 17563 |
merg |
merg:
m(tm).rək (Q253p Montzen)
|
merg [ZND m]
III-1-1
|
| 30945 |
merkpriem |
zuil:
zyl (Q253p Montzen)
|
Een priem voor het aanbrengen van tekens ten gerieve van de stikster. [N 60, 44]
II-10
|
| 33754 |
merrie |
meer:
mēr (Q253p Montzen)
|
Gebruikt als handels-, werk-, voermans- en als fokpaard. [JG 1a, 1b; A 4, 2a; L 11, 11; L 20, 2a; L A1, 92; S 27; Wi 4; monogr.]
I-9
|