| 32582 |
mest laden |
(mest) laden:
l˙ānǝ (Q253p Montzen)
|
Mest uit de mestvaalt (vroeger uit de potstal) met een riek op de gereedstaande kar laden. Meestal wordt de karbak zo hoog mogelijk volgetast. [N P, 7; N 11A, 10; JG 1a; monogr.]
I-1
|
| 32591 |
mest verspreiden |
(mest) spreiden:
šprei̯ǝ (Q253p Montzen)
|
De hoopjes mest die op het land liggen, moeten vóór het ploegen gelijkmatig over het land worden verdeeld met de riek: men neemt telkens een hoeveelheid mest op, om deze vervolgens uiteen te schudden, terwijl men met de riek een slingerbeweging maakt. [N 11, 20; N 11A, 23; N M, 8b add.; A 9, 27; RND 51; JG 1a + 1b + 2c; JG 2b-4, 9; monogr.]
I-1
|
| 32575 |
mest, stalmest |
mest:
mē̜.s(t) (Q253p Montzen),
mę.s(t) (Q253p Montzen),
stalmest:
štā.l[mest] (Q253p Montzen
[(zonder strooisel)]
)
|
De hieronder vermelde woorden zijn van toepassing op natuurlijke mest: het in de stallen van het vee gevormd mengsel van uitwerpselen en strooisel. In de vroegere potstal hoopte de mest zich op, totdat hij na afloop van het (winter)seizoen van daaruit naar het land werd gereden. Later werd de mest uit de stallen in de mestvaalt of -kuil verzameld. Met het woord stalmest, dat naast mest in gebruik is (gekomen), wordt de door het vee geproduceerde mest duidelijker onderscheiden van b.v. kunstmest en groenmest. Ruimer van betekenis dan (stal)mest zijn de abstracte termen beterij en vetting, waarmee het lemma besloten wordt. In de volgende lemmata wordt voor wat mest als deel van een samenstelling of woordgroep betreft, naar dit lemma verwezen. Men zij er echter op bedacht, dat in plaatsen waar men de t van mest als simplex normaal uitspreekt, deze medeklinker vaak nauwelijks of niet gehoord wordt in met mest beginnende samenstellingen (mestkar e.d.) en woordgroepen (mest varen e.d.). Begint het tweede deel van zulk een samenstelling of woordgroep met een s of š, dan worden de beide slotmedeklinkers van mest daaraan zelfs volledig geassimileerd (meststoker, mest spreiden e.d.). [JG 1a + 1b ; N 11, 12 + 16 + 27; N 11A, 3; N M, 10a + b; L 1 a-m; L A1, 200; L 31, 17; S 23; Wi 53; A 9, 25; Gi 1, III 6; RND, 51]
I-1
|
| 24335 |
mestkever |
kever:
kēͅver (Q253p Montzen)
|
mestkever [ZND 14 (1926)]
III-4-2
|
| 32839 |
mestplakken verspreiden |
flatten spreiden:
fla.tǝ šprēi̯ǝ (Q253p Montzen)
|
De koemestplakken in de wei met een riek of schop uit elkaar slaan, om te voorkomen dat er zich op die plekken schitbossen vormen. [NM, 8b; N 11A, 40b; div.; monogr.]
I-2
|
| 33622 |
mestvaalt |
mesthof:
aan ZND 01 is hier toegevoed het materiaal van ZND 31 (1939), 019
mesheof (Q253p Montzen)
|
[ZND 01 (1922)]
I-7
|
| 23632 |
met de collecteschaal rondgaan |
met de telder rondgaan:
met dər tɛ̄ldər rontguə (Q253p Montzen)
|
Collecteren met de open schaal, met de schaal rondgaan. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 17946 |
met grote stappen lopen |
greiden:
grɛjə (Q253p Montzen)
|
Grote stappen maken (greien, schrijden, treden, stappen). [N 109 (2001)]
III-1-2
|
| 22508 |
met kleppers rondlopen |
klabatteren:
klabatere (Q253p Montzen)
|
Kleppen (met een klap klepper). [ZND m]
III-3-2
|
| 34003 |
met paard en kar rijden |
varen:
vārǝ (Q253p Montzen)
|
[JG 1b, 2c; N 8, 100; Wi 33; monogr.]
I-10
|