| 28899 |
perstafel, strijktafel |
strijkdis:
štrīkdø̄jš (Q253p Montzen)
|
De tafel waarop men strijkt. Men gebruikt de perstafel om de grotere delen als pantalon of overjas op te persen. De perstafel moet gemaakt zijn van een houtsoort die niet splintert, trekt of scheurt. Houtsoorten die erg slecht vocht opnemen, zijn als perstafel ook ongeschikt (Gerritse, pag. 34). De informanten van L 330 en Q 32 strijken ook kragen op de perstafel, omdat zij daar geen apart kragenblok hebben. Zie ook het lemma ɛkragenblokɛ.' [N 59, 18; N 59, 19a; N 59, 19e; monogr.]
II-7
|
| 28918 |
perswant |
mouwehands:
mowǝhęjš (Q253p Montzen)
|
Perskussen in de vorm van een want; de bovenkant is opgevuld, de onderkant plat. Het is een handig kussen bij naden die met een groot perskussen niet bereikbaar zijn. [N 59, 26b]
II-7
|
| 28676 |
perszak |
zijdoek:
zējdōk (Q253p Montzen)
|
Poreuze zak van onder meer kaasdoek gemaakt, waarin de ruwe honing wordt verzameld. Men legt deze zak in de honingpers. Onder de druk van de pers komt de honing naar buiten. Wat er uiteindelijk in de perszak overblijft, heeft slechts nog waarde als bemesting. [N 63, 122b; N 63, 122c; monogr.]
II-6
|
| 33566 |
perzik |
pche (fr.):
pējsj (Q253p Montzen),
pējssj (Q253p Montzen),
peͅəš (Q253p Montzen),
peͅ‧ə.š (Q253p Montzen),
pèɛ̄sch (Q253p Montzen)
|
[ZND 05 (1924)]perzik [ZND 05 (1924)]
I-7
|
| 18281 |
pet: algemeen |
kap:
ka.p (Q253p Montzen),
kap (Q253p Montzen)
|
pet (hoofdbedekking voor mannen) - zijn er verschillende benamingen? [ZND 16 (1934)]
III-1-3
|
| 20410 |
petekind |
patekind:
pātəkēŋk (Q253p Montzen)
|
een petekind [patekink] [N 96D (1989)]
III-2-2
|
| 33568 |
peterselie |
peterselje:
pitərsēljə (Q253p Montzen)
|
[ZND 05 (1924)]
I-7
|
| 23835 |
petrus en paulusprocessie |
pieter-en-paulusbronk:
də piətər ɛn p"ləsbrōŋk (Q253p Montzen)
|
De processie op de zondag na St. Petrus en Paulus [peter en pauls brónk]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 21063 |
peul |
leut:
lööte (Q253p Montzen)
|
de peulen, de doppen van erwten of bonen [N Q (1966)]
III-2-3
|
| 33508 |
peul, dop (znw) |
leusj:
lø̄š (Q253p Montzen),
leut:
lööte (Q253p Montzen),
lø͂ͅt (Q253p Montzen)
|
[N Q (1966)] [ZND m]
I-7
|