e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
peulen, doppen (ww.) leuten: löte (Montzen) [N Q (1966)] I-7
peulvruchten afhalen vamen: vämə (Montzen), vème (Montzen) bonen stropen, afhalen [ZND 01u (1924)] || erwten of bonen afhalen, van draden ontdoen [N Q (1966)] III-2-3
peulvruchten doppen erwten leuten: errete löte (Montzen) erwten of bonen doppen, ontpeulen [N Q (1966)] III-2-3
piano piano: Karte 244.  pi`jāno} m. (Montzen) Klavier. III-3-2
pijn pijn: piŋ (Montzen) pijn [RND] III-1-2
pijnscheut kramp: Uitgebreider.  krāmp (Montzen), steek: Zeer plaatselijk.  ṣtiək (Montzen) Sterke kriebeling of trekking door pijn veroorzaken (morren, scheut, steek, kramp). [N 107 (2001)] III-1-2
pikeren doornaaien: dørǝxniǝnǝ (Montzen), kragen naaien: krē̜x niǝnǝ (Montzen), vulsel doornaaien: vølsǝl dørǝxniǝnǝ (Montzen) Naaien met de ø̄pikeersteek Iø̄ en/of de ø̄pikeersteek IIø̄. ø̄Pikeersteek Iø̄ dient voor het binnenwerk, om watten en plastrons op het paardehaar of kameelhaar te bevestigen. Deze steek wordt hoofdzakelijk gebruikt om meer stevigheid te geven aan de vulling. ø̄Pikeersteek IIø̄ wordt op dezelfde wijze gelegd als ø̄pikeersteek Iø̄, maar verschilt er in zoverre van dat ø̄pikeersteek Iø̄ doorgestoken mag worden en aan de andere kant zichtbaar mag zijn, terwijl ø̄pikeersteek IIø̄ tot in de helft van de stofdikte gestoken moet worden. Deze steek wordt gebruikt bij het bewerken van revers en kragen (Papenhuyzen III, pag. 15). Zie afb. 33. [N 59, 62; N 59, 61; N 59, 60] II-7
pilaar pilaar: pilār (Montzen) Een pilaar, de pilaren [pielder(s), pilèèr(e)?]. [N 96A (1989)] III-3-3
pingat oog: ow (Montzen) Elk van de drie spleetvormige openingen in de leestplaat. [N 60, 189c] II-10
pink kleine vinger: dər kleŋə veŋər (Montzen) Pink, de vijfde, kleinste vinger (pink (pinkel, pinker), kleine vinger). [N 106 (2001)] III-1-1