| 33522 |
peulen, doppen (ww.) |
leuten:
löte (Q253p Montzen)
|
[N Q (1966)]
I-7
|
| 20662 |
peulvruchten afhalen |
vamen:
vämə (Q253p Montzen),
vème (Q253p Montzen)
|
bonen stropen, afhalen [ZND 01u (1924)] || erwten of bonen afhalen, van draden ontdoen [N Q (1966)]
III-2-3
|
| 20815 |
peulvruchten doppen |
erwten leuten:
errete löte (Q253p Montzen)
|
erwten of bonen doppen, ontpeulen [N Q (1966)]
III-2-3
|
| 23172 |
piano |
piano:
Karte 244.
pi`jāno} m. (Q253p Montzen)
|
Klavier.
III-3-2
|
| 17991 |
pijn |
pijn:
piŋ (Q253p Montzen)
|
pijn [RND]
III-1-2
|
| 17992 |
pijnscheut |
kramp:
Uitgebreider.
krāmp (Q253p Montzen),
steek:
Zeer plaatselijk.
ṣtiək (Q253p Montzen)
|
Sterke kriebeling of trekking door pijn veroorzaken (morren, scheut, steek, kramp). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 28986 |
pikeren |
doornaaien:
dørǝxniǝnǝ (Q253p Montzen),
kragen naaien:
krē̜x niǝnǝ (Q253p Montzen),
vulsel doornaaien:
vølsǝl dørǝxniǝnǝ (Q253p Montzen)
|
Naaien met de ø̄pikeersteek Iø̄ en/of de ø̄pikeersteek IIø̄. ø̄Pikeersteek Iø̄ dient voor het binnenwerk, om watten en plastrons op het paardehaar of kameelhaar te bevestigen. Deze steek wordt hoofdzakelijk gebruikt om meer stevigheid te geven aan de vulling. ø̄Pikeersteek IIø̄ wordt op dezelfde wijze gelegd als ø̄pikeersteek Iø̄, maar verschilt er in zoverre van dat ø̄pikeersteek Iø̄ doorgestoken mag worden en aan de andere kant zichtbaar mag zijn, terwijl ø̄pikeersteek IIø̄ tot in de helft van de stofdikte gestoken moet worden. Deze steek wordt gebruikt bij het bewerken van revers en kragen (Papenhuyzen III, pag. 15). Zie afb. 33. [N 59, 62; N 59, 61; N 59, 60]
II-7
|
| 23376 |
pilaar |
pilaar:
pilār (Q253p Montzen)
|
Een pilaar, de pilaren [pielder(s), pilèèr(e)?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 31097 |
pingat |
oog:
ow (Q253p Montzen)
|
Elk van de drie spleetvormige openingen in de leestplaat. [N 60, 189c]
II-10
|
| 17670 |
pink |
kleine vinger:
dər kleŋə veŋər (Q253p Montzen)
|
Pink, de vijfde, kleinste vinger (pink (pinkel, pinker), kleine vinger). [N 106 (2001)]
III-1-1
|