| 23287 |
pinksteren |
pinksten:
pēŋstə (Q253p Montzen)
|
Pinksteren, de vijftigste dag na Pasen [Sinksen, Pinkste]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 26554 |
pinnen |
pinnen:
pęnǝ (Q253p Montzen)
|
Het leer door middel van houten pennen machinaal of met de hand bevestigen. [N 60, 148a]
II-10
|
| 31089 |
pinrasp |
lepelraspel:
lęǝpǝlraspǝl (Q253p Montzen)
|
De rasp die men gebruikt om de uiteinden van de pennen aan de binnenkant van de schoen weg te raspen. Zie afb. 66. [N 60, 118d]
II-10
|
| 20060 |
pioen |
paardsroos:
-
paardsroos (Q253p Montzen),
ook ZND 1 (a-m) en ZND 1u, 007
peejstroeəs (Q253p Montzen),
pinksroos:
ook ZND 1 (a-m) en ZND 1u, 007
pingsroeəs (Q253p Montzen),
pinksterroos:
-
pinksterroos (Q253p Montzen)
|
Ook mat. van ZND 15 (1930), 018 opgenomen [ZND 05 (1924)] || Pioen (Paeonia officinalis L.)
I-7, III-2-1
|
| 24364 |
pissebed |
wild varken:
oniscus asellus/oniscus murarius (=ZND 18)
wî.l veͅ.rəkə (Q253p Montzen)
|
pissebed, keldermot [GV K (1935)]
III-4-2
|
| 33570 |
pit van een steenvrucht |
keets:
kets (Q253p Montzen),
kern:
kĕə.n (Q253p Montzen),
kèân (Q253p Montzen)
|
kern [ZND 01 (1922)]
I-7
|
| 33495 |
pit, kern van fruit |
keets:
kets (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen),
kern:
kean (Q253p Montzen),
keən (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen)
|
[RND 08] [ZND 01 (1922)] [ZND 27 (1938)]
I-7
|
| 31095 |
plaatleest |
beslagen leest:
bǝšlāgǝ lę̄s (Q253p Montzen)
|
De houten leest die aan de onderzijde met een ijzeren plaat is beslagen. "De voor blokwerk gebruikte leesten zijn met ijzer beslagen, daar hier in tegenstelling met het schootwerk uitsluitend met spijkers gewerkt wordt, die nu op de ijzeren plaat afstooten. In deze beschermingsplaat zijn drie gaten, een midden onder de zool, een onder de hak en een in het geleng. Deze dienen om met groote spelnagels de binnenzool voorlopig vast te slaan op de leest." (Directie, pag. 303). [N 60, 189a]
II-10
|
| 24968 |
plaats, ruimte |
plaats:
plats (Q253p Montzen),
plāts (Q253p Montzen),
plei:
ple͂ͅ.i (Q253p Montzen)
|
plaats [ZND m]
III-4-4
|
| 19470 |
plafond |
plafond:
plafoŋ (Q253p Montzen)
|
Zie kaart. Het ondervlak of de bekleding van een zoldering. In het onderzoeksgebied wordt onder een 'plafond' vooral een gepleisterde, meestal met lijsten en/of reliefs van stuc versierde bekleding van een zoldering verstaan. De term 'zoldering' wordt daarentegen gebruikt voor het ondervlak van een verdiepingsvloer waarvan de draagbalken nog zichtbaar zijn. Zie ook het 'Limburgs Idioticon', pag. 295, s.v. 'zoldering', ø̄Met de bepaalde betekenis van onbeplakten zolder. Geh. rond Maeseyck.ø̄ Om een gepleisterd plafond te maken worden eerst tengels op onderlinge afstand van ongeveer 7 cm onder de balken van de bovenliggende vloerlaag gespijkerd. Aan de tengels wordt vervolgens droog Maasriet bevestigd, dat met zigzagsgewijs om platkopspijkers gewonden koperdraad tegen de tengels wordt vastgeklemd. In plaats van riet kan ook steengaas worden gebruikt. Daarna wordt eerst een ruwe laag vette kalkmortel aangebracht en vervolgens wordt het geheel afgewerkt met een mengsel van kalk en gips. Langs de wand brengt men gewoonlijk een plint aan die wordt vervaardigd door op het plafond latjes te bevestigen en de plint gelijk met die latjes af te werken. Eventuele ornamenten worden met gips opgeplakt. In L 383 sprak men bij een boerderij vooral van de 'zolder' en in een gewoon huis van het 'plafond'. [N 6, 20; N 54, 143a; L 2, 19; monogr.; Vld.]
II-9
|