| 20939 |
plak |
zijde:
zi-j (Q253p Montzen)
|
Een opvulsel achter de arm ofwel bestaand uit een stukje stoom (gaas dat sterk gepapt is, in katoen of rayon) waarop een half vel watten wordt genaaid of uit een stukje stof. De plak moet het beloop volgen van het armsgat en wordt op de rug langs het armsgat gelegd en onder de arm aan de vulling vastgemaakt (Papenhuyzen, pag. 81). De plak dient voor een mooie valling voor de arm. [N 59, 115]
II-7
|
| 30727 |
plakken |
het voeding kleven:
ǝt vōdǝx klę̄vǝ (Q253p Montzen)
|
Het vastkleven van de voering en het leer aan het stuk waaraan men het later zal vaststikken. "Het plakken geschiedt door een vrouwelijk arbeider te huis of op de werkplaats. Voering en leer worden zorgvuldig tezamen genomen en met stijfsel, lijm en of zeep vastgekleefd aan het stuk, waaraan het later zal worden vastgestikt." (Directie, pag. 298). [N 60, 49]
II-10
|
| 30909 |
plaksel |
lijm:
līm (Q253p Montzen),
linzenlijm:
lenzǝlīm (Q253p Montzen)
|
Diverse plakmiddelen welke men voorheen gebruikte bij het maken van een schoen. Vóór de vinding en verbreiding van de Wener lijm kende men lijm van roggemeel en lijnzaadmeel, die men pap noemde (Liedmeier, pag. 20). Uit de antwoorden van Q 253, L 293, L 387 en Q 71 blijkt dat ook linzen, meel, tarwemeel en bloem grondstof voor deze plak kan zijn. Met dextrine wordt een gomachtige stof bedoeld, waarin zetmeel door de inwerking van zuren, oxyden etc. wordt omgezet (zie wbd II, afl. 3, pag. 708 s.v. plaksel. [N 60, 92a; N 60, 92b; N 60, 92c; N 60, 164a]
II-10
|
| 18454 |
plaksel [wld ii.10, p. 22] |
lijm:
līm (Q253p Montzen),
linzenlijm:
Gebruik niet meer geweten.
lenzəlīm (Q253p Montzen)
|
Hoe noemt u in het algemeen het plaksel dat men vroeger gebruikte? (pap, plaksel?) [N 60 (1973)] || Plaksel, gemaakt van lijnzaadmeel? (Waarvoor werd deze pap gebruikt?) [N 60 (1973)]
III-1-3
|
| 17912 |
plassen (met water) |
platsen:
platṣə (Q253p Montzen)
|
In het water plassen, met water knoeien (smossen, knoddelen). [N 109 (2001)]
III-1-2
|
| 29080 |
platstuk |
platstuk:
platštøk (Q253p Montzen)
|
Beide schouderstukken van een kiel, hemd of colbert die achter aan elkaar genaaid zijn; een schouderpas dus, bestaande uit twee stukken. [N 59, 91; N 62, 33; N 59, 87]
II-7
|
| 23528 |
plechtig |
feierlich (du.):
fɛərləch (Q253p Montzen)
|
Plechtig, feestelijk [faierlich?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 24009 |
plechtige communie |
kinderaannemen, het ~:
ət keŋərānɛɛmə ɛn ət vərnøjə van də dōpgəlübdə (Q253p Montzen)
|
De Plechtige H.Communie + hernieuwing van de doopbeloften. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 24017 |
plechtige communie: hernieuwing van de doopbeloften |
vernieuwen van de doopgeloften:
ət keŋərānɛɛmə ɛn ət vərnøjə van də dōpgəlübdə (Q253p Montzen)
|
De Plechtige H.Communie + hernieuwing van de doopbeloften. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 24051 |
plechtige huwelijksmis |
feierliche (du.) trouwmis:
ən fɛjərləXə trowmēs (Q253p Montzen)
|
Een plechtige bruidsmis [hoeëchfierlieje broedsmaes]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|