e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
quatertemperdag quatemperdag: ??  kwatɛmərdāch (Montzen) De R.K. vastendag op de eerste woensdag, vrijdag en zaterdag van elk jaargetijde, quatertemperdag. [N 96C (1989)] III-3-3
raadsel(tje) raadsel(tje): e roĕtsel (Montzen), e rädsel (Montzen), e rètsel (Montzen), e réédsel (Montzen), e réétselsje (Montzen), o en e tegen elkaar geplakt  roetsel (Montzen) Een raadsel. [ZND 06 (1924)] || raadsel [N 07 (1961)] || raadseltje [N 07 (1961)] III-3-2
raam venster: vē̜ ̝nstǝr (Montzen  [(+)]  ), vę̃.nstǝr (Montzen) Zie kaart. Een van glas voorziene opening waardoor het buitenlicht naar binnen valt. In het onderzoeksgebied worden de woorden 'venster' en 'raam' ook wel gebruikt voor de houten of metalen omlijsting waarin de vensterruit wordt geplaatst. In het Standaardnederlands zijn de woorden 'raam', 'venster' en 'glas' onzijdig, in de meeste Limburgse dialecten echter vrouwelijk. Wanneer door de invullers nadrukkelijk een vrouwelijk genus werd opgegeven, is achter de betreffende plaatscode een (+) opgenomen. [N 55, 37; RND 49; A 46, 10a; L mon.; monogr.; Vld.] II-9
raar, vreemd aardig: cf. VD s.v. "aardig"4. (gew.) zonderling, ongewoon, eigenaardig  ādəx (Montzen), vreemd: vrèmt (Montzen) Die is hier vreemd. [ZND 08 (1925)] || zonderling, vreemd [ZND 01 (1922)] III-1-4
raat raat: rǭǝt (Montzen) Een raat is een schijf gevormd door twee lagen met de rug tegen elkaar liggende zeszijdige cellen. Ze wordt door de bijen gemaakt voor het opkweken van de larven en voor het opbergen van honing in de winter. Het bouwsel is van was. [N 63, 13a; L 1a-m; S 3; A 25, 10; JG 1a+1b; JG 2b-5, 3; Ge 37, 53; monogr.] II-6
raden raden: kand dèè dat rone (Montzen), konste dat rōnne (Montzen), kostə dat ronə (Montzen), kôs te dat rò:ne (Montzen), kön där dat rōnne (Montzen), raone (Montzen) Kunt ge dat raden? [ZND 06 (1924)] || raden [N 07 (1961)] III-1-4, III-3-2
rafelen uitriffelen: ūtrefǝlǝ (Montzen) Uitvezelen van stof. [N 59, 188; N 62, 45a; MW; S 29; monogr.] II-7
rand raam: rām (Montzen) De reep leer die men vastnaait aan de binnenzool en schacht en waaraan men later de zool bevestigt. Zie afb. 39. [N 60, 88a] II-10
rand [wld ii.10, p. 40] raam: rām (Montzen) Een reep leer die, na eerst geschift te zijn, vastgenaaid wordt aan de binnenzool en schacht en waaraan later de zool wordt bevestigd? (rand, rabat?) Zie tek. 88. [N 60 (1973)] III-1-3
randsteekmes ramenmes: rāmǝmɛts (Montzen) Gereedschap waarmee men het overhangende leer aan de zool gelijkmatig afsnijdt. De antwoorden in dit lemma komen uit verschillende vragen. Het is mogelijk dat dit randsteekmes voor verschillende doeleinden wordt gebruikt en dat het daardoor ook van vorm kan verschillen. Zie afb. 52. [N 60, 116a; N 60, 117a; N 60, 174a] II-10