| 23766 |
quatertemperdag |
quatemperdag:
??
kwatɛmərdāch (Q253p Montzen)
|
De R.K. vastendag op de eerste woensdag, vrijdag en zaterdag van elk jaargetijde, quatertemperdag. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 22726 |
raadsel(tje) |
raadsel(tje):
e roĕtsel (Q253p Montzen),
e rädsel (Q253p Montzen),
e rètsel (Q253p Montzen),
e réédsel (Q253p Montzen),
e réétselsje (Q253p Montzen),
o en e tegen elkaar geplakt
roetsel (Q253p Montzen)
|
Een raadsel. [ZND 06 (1924)] || raadsel [N 07 (1961)] || raadseltje [N 07 (1961)]
III-3-2
|
| 27904 |
raam |
venster:
vē̜ ̝nstǝr (Q253p Montzen
[(+)]
),
vę̃.nstǝr (Q253p Montzen)
|
Zie kaart. Een van glas voorziene opening waardoor het buitenlicht naar binnen valt. In het onderzoeksgebied worden de woorden 'venster' en 'raam' ook wel gebruikt voor de houten of metalen omlijsting waarin de vensterruit wordt geplaatst. In het Standaardnederlands zijn de woorden 'raam', 'venster' en 'glas' onzijdig, in de meeste Limburgse dialecten echter vrouwelijk. Wanneer door de invullers nadrukkelijk een vrouwelijk genus werd opgegeven, is achter de betreffende plaatscode een (+) opgenomen. [N 55, 37; RND 49; A 46, 10a; L mon.; monogr.; Vld.]
II-9
|
| 19057 |
raar, vreemd |
aardig:
cf. VD s.v. "aardig"4. (gew.) zonderling, ongewoon, eigenaardig
ādəx (Q253p Montzen),
vreemd:
vrèmt (Q253p Montzen)
|
Die is hier vreemd. [ZND 08 (1925)] || zonderling, vreemd [ZND 01 (1922)]
III-1-4
|
| 28447 |
raat |
raat:
rǭǝt (Q253p Montzen)
|
Een raat is een schijf gevormd door twee lagen met de rug tegen elkaar liggende zeszijdige cellen. Ze wordt door de bijen gemaakt voor het opkweken van de larven en voor het opbergen van honing in de winter. Het bouwsel is van was. [N 63, 13a; L 1a-m; S 3; A 25, 10; JG 1a+1b; JG 2b-5, 3; Ge 37, 53; monogr.]
II-6
|
| 19224 |
raden |
raden:
kand dèè dat rone (Q253p Montzen),
konste dat rōnne (Q253p Montzen),
kostə dat ronə (Q253p Montzen),
kôs te dat rò:ne (Q253p Montzen),
kön där dat rōnne (Q253p Montzen),
raone (Q253p Montzen)
|
Kunt ge dat raden? [ZND 06 (1924)] || raden [N 07 (1961)]
III-1-4, III-3-2
|
| 18168 |
rafelen |
uitriffelen:
ūtrefǝlǝ (Q253p Montzen)
|
Uitvezelen van stof. [N 59, 188; N 62, 45a; MW; S 29; monogr.]
II-7
|
| 30997 |
rand |
raam:
rām (Q253p Montzen)
|
De reep leer die men vastnaait aan de binnenzool en schacht en waaraan men later de zool bevestigt. Zie afb. 39. [N 60, 88a]
II-10
|
| 18451 |
rand [wld ii.10, p. 40] |
raam:
rām (Q253p Montzen)
|
Een reep leer die, na eerst geschift te zijn, vastgenaaid wordt aan de binnenzool en schacht en waaraan later de zool wordt bevestigd? (rand, rabat?) Zie tek. 88. [N 60 (1973)]
III-1-3
|
| 31046 |
randsteekmes |
ramenmes:
rāmǝmɛts (Q253p Montzen)
|
Gereedschap waarmee men het overhangende leer aan de zool gelijkmatig afsnijdt. De antwoorden in dit lemma komen uit verschillende vragen. Het is mogelijk dat dit randsteekmes voor verschillende doeleinden wordt gebruikt en dat het daardoor ook van vorm kan verschillen. Zie afb. 52. [N 60, 116a; N 60, 117a; N 60, 174a]
II-10
|