| 19558 |
rasp |
raspel:
raspǝl (Q253p Montzen)
|
Schuurrasp, onderdeel van de gecombineerde machine. [N 60, 243d]
II-10
|
| 31049 |
rasp, vijl |
raspel:
raspǝl (Q253p Montzen)
|
Gereedschap dat men gebruikt voor het raspen of vijlen. Ten aanzien van rasp of vijl merkt Dierick (pag. 85) op: De rasp dient om de talons en den boord der zolen effen te raspen wanneer ze met het mes geschrood en op den noodigen vorm gebracht zijn. De rasp mag niet te grof zijn om de sporen van het raspen niet te diep in talon en lijksel te printen. De vijl heeft men noodig voor genageld werk om de nagels van zolen en talons effen te vijlen en de luistervijl voor het vereffenen der zolen na het afschrepen van den nerf." Zie afb. 53 en 54. [N 60, 118b; monogr.]
II-10
|
| 31048 |
raspen, vijlen |
leer gelijkraspelen:
lę̄r glīkraspǝlǝ (Q253p Montzen)
|
Het met een rasp of vijl of schrapglas wegslijpen van de oneffenheden aan zool en zoolrand. [N 60, 118a]
II-10
|
| 24367 |
rat |
rat:
ra.t (Q253p Montzen)
|
rat [ZND m]
III-4-2
|
| 22831 |
ratel |
klabatter:
klabater (Q253p Montzen)
|
Ratel. [ZND m]
III-3-2
|
| 23798 |
ratel van witte donderdag |
klabatter:
??
klabatər (Q253p Montzen)
|
De ratel die van Witte Donderdag tot aan de zaterdag vóór Pasen in plaats van de altaarschel tijdens de mis wordt gebruikt. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 17902 |
recht vooruitstoten met de armen |
duwen:
døjə (Q253p Montzen)
|
Met de armen recht vooruit stoten (stoeken, duwen). [N 109 (2001)]
III-1-2
|
| 17674 |
rechte, vormeloze benen |
palen:
pōl (Q253p Montzen)
|
Rechte, vormeloze benen (stokken, stelten, palen, latten, staken) [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 30866 |
rechterleest |
rechtse leest:
ręxtsǝ lę̄s (Q253p Montzen)
|
De kromme leest waarop men een rechterschoen kan vervaardigen. [N 60, 185c]
II-10
|
| 17616 |
rechtstaande oren |
ezelsoren:
ɛzəlsoər (Q253p Montzen)
|
Rechtstaande oren (fik(s)oren, ezelsoren, (f)laporen, spitsoren). [N 109 (2001)]
III-1-1
|