| 18396 |
ring |
oog:
ow (Q253p Montzen)
|
Het metalen ringetje waarmee de vetergaatjes worden versterkt. Wat betreft het woordtype blinde ring merkt het wbd (zie wbd II, afl. 3, pag. 720 s.v. ring) op dat een blinde ring een ring is die alleen in de voering of in de voeringbies vastzit en niet zichtbaar is aan de buitenkant van het overleer. [N 60, 31a]
II-10
|
| 33582 |
ringen, randen verwijderen van peulvruchten |
leuten:
lötə (Q253p Montzen),
vimmen:
vämə (Q253p Montzen),
vème (Q253p Montzen)
|
[N Q (1966)] [ZND 01 (1922)] [ZND 01u (1924)]
I-7
|
| 17669 |
ringvinger |
ringvinger:
rēŋkveŋər (Q253p Montzen)
|
Ringvinger: de vierde vinger waaraan men gewoonlijk een ring draagt (ringvinger, goudvinger,vingerling, pillepoort). [N 106 (2001)]
III-1-1
|
| 23645 |
rinkelen met de altaarbel |
schellen:
də schɛlə (Q253p Montzen)
|
Met deze bel rinkelen, bellen, schellen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 21214 |
riool |
afloop:
aafloop (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen),
goot:
göt (Q253p Montzen),
kanaalafloop:
canaalafloop (Q253p Montzen),
voor:
Van Dale: vore, voor, 1. insnijding, snede van de ploeg in een akker; -2. (overdr.) groef, rimpel.
voor (Q253p Montzen)
|
Riool (onderaardse buis tot afvoer van vuil water, enz.). [ZND 06 (1924)]
III-3-1
|
| 30891 |
rispeleind |
spits:
špets (Q253p Montzen)
|
Het spits toelopende uiteinde van de pekdraad waaraan men een varkenshaar bevestigt. [N 60, 195b; N 60, 238a]
II-10
|
| 18058 |
rochelen |
rochelen:
roexələ (Q253p Montzen)
|
rochelen [ZND m]
III-1-2
|
| 23447 |
rochet |
superplie (<lat.):
dər syrpli (Q253p Montzen)
|
Het korte witte kleed over de misdienaarstoog [rochet, rökkele?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 33478 |
rode aalbes |
rode wiemelen:
verzamelfiche, ook mat. van ZND01, u en ZND02, 4
rue wimmel (Q253p Montzen),
wiemelen:
verzamelfiche, ook mat. van ZND01, u en ZND02, 4
wiemele (Q253p Montzen),
wĭmel (Q253p Montzen)
|
aalbes [ZND 01 (1922)] || rode aalbes [ZND 01 (1922)]
I-7
|
| 33231 |
rode biet |
karoot:
kǝrūǝt (Q253p Montzen),
rode karoot:
rūǝ karūǝt (Q253p Montzen)
|
Beta vulgaris L. var. rubra L. Deze bietensoort hoort eigenlijk onder de groenten uit de moestuin, en daardoor in de aflevering over de boerderij en het erf, maar is toch hier ondergebracht vanwege "lexicale nabijheid" met biet, kroot. De knollen met een doorsnee van 8-10 cm worden gekookt en warm of koud als salade gegeten. De knollen en het kookvocht hebben een felle donkerpaarse kleur. [A 4, 26d; A 13, 2a; A 49, 1b; L 20, 26d; monogr.]
I-5
|