| 25088 |
roest |
roest:
rôst (Q253p Montzen),
ps. boven de ó staat nog een dakje (^ deze combinatieletter is niet te maken/om te spellen.
róôst (Q253p Montzen)
|
roest [ZND 06 (1924)]
III-4-4
|
| 32976 |
rogge |
koren:
[koren] (Q253p Montzen)
|
Secale cereale L. Tot in de jaren vijftig het meest geteelde graangewas in Limburg, met uitzondering van Haspengouw, waar tarwe de meest verbouwde graansoort was. Men zaait ongeveer 170 kg rogge per hectare. Het koren-gebied in dit lemma wijkt aanzienlijk af van dat in het lemma ''graan, koren'' (1.2.1); vergelijk de kaarten die bij de lemma''s getekend zijn. Zie voor de benaming koren en voor de fonetische documentatie van het woord [koren] in het gebied waar ''koren'' zowel de algemene benaming alsook de benaming van de rogge is, het lemma ''graan, koren'' (1.2.1). Zie afbeelding 1, a. [JG 1a, 1b; L 34, 55b; L lijst graangewassen, 6; S 30; Wi 52; monogr.; add. uit N 15, 1a]
I-4
|
| 20760 |
roggebrood |
paardenbrood:
nb. woord is niet omgespeld.
pädəbroet (Q253p Montzen),
zwart brood:
zwatbroed (Q253p Montzen)
|
zwart brood [ZND 01u (1924)]
III-2-3
|
| 18284 |
rok: algemeen |
rok:
roͅ.k (Q253p Montzen),
voordoek:
vo.k (Q253p Montzen)
|
rok [ZND m] || rok (door vrouwen gedragen) [ZND 17 (1935)]
III-1-3
|
| 18567 |
rokkostuum |
kostuum:
kostym (Q253p Montzen)
|
het rok-costuum [N 59 (1973)]
III-1-3
|
| 23851 |
rondtrekken van de processie |
bronken:
brōŋkə (Q253p Montzen)
|
Het rondtrekken van de processie [brónke]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 24237 |
roodborstje |
roodborstje:
ruədbøͅəskə (Q253p Montzen)
|
roodborstje [ZND m]
III-4-1
|
| 18043 |
roodvonk |
scarlatine (fr.):
skarlatin (Q253p Montzen)
|
Roodvonk: epidemische, zeer besmettelijke ziekte waarbij het lichaam overdekt wordt met rode vlekken (roodvonk, roodjong, St.Antonis / St.Teunis-vuur, plan). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 18048 |
roof(je) (korst op een wonde) |
kankerd:
ka͂.ŋkərt (Q253p Montzen),
korst(je):
kausch (Q253p Montzen),
krap:
kra.p (Q253p Montzen),
krap (Q253p Montzen),
roofe gebruikt men volgens de informant enkel m.b.t. de schelletjes die van het hoofd van kinderen vallen na de ziekte genaamd croute de lait, dial. vreesem.
kraap (Q253p Montzen),
plak:
pla.k (Q253p Montzen),
plaak (Q253p Montzen),
plak (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen),
roof(je):
roof (Q253p Montzen),
rôf (Q253p Montzen)
|
een korst (roof) op een wonde [ZND 01u (1924)] || roof (korst op een wonde) [ZND 06 (1924)], [ZND m], [ZND m]
III-1-2
|
| 28564 |
roofbijen |
roofbijen:
(enk)
rōfbej (Q253p Montzen)
|
Bijen die honing roven bij andere volken. Wanneer bijen in drachtloze perioden geen honing meer kunnen vinden in de bloemen, dan gaan ze die zoeken bij andere volken. [N 63, 67c; N 63, 67a; Ge 37, 96; monogr.]
II-6
|