e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
roest roest: rôst (Montzen), ps. boven de ó staat nog een dakje (^ deze combinatieletter is niet te maken/om te spellen.  róôst (Montzen) roest [ZND 06 (1924)] III-4-4
rogge koren: [koren] (Montzen) Secale cereale L. Tot in de jaren vijftig het meest geteelde graangewas in Limburg, met uitzondering van Haspengouw, waar tarwe de meest verbouwde graansoort was. Men zaait ongeveer 170 kg rogge per hectare. Het koren-gebied in dit lemma wijkt aanzienlijk af van dat in het lemma ''graan, koren'' (1.2.1); vergelijk de kaarten die bij de lemma''s getekend zijn. Zie voor de benaming koren en voor de fonetische documentatie van het woord [koren] in het gebied waar ''koren'' zowel de algemene benaming alsook de benaming van de rogge is, het lemma ''graan, koren'' (1.2.1). Zie afbeelding 1, a. [JG 1a, 1b; L 34, 55b; L lijst graangewassen, 6; S 30; Wi 52; monogr.; add. uit N 15, 1a] I-4
roggebrood paardenbrood: nb. woord is niet omgespeld.  pädəbroet (Montzen), zwart brood: zwatbroed (Montzen) zwart brood [ZND 01u (1924)] III-2-3
rok: algemeen rok: roͅ.k (Montzen), voordoek: vo.k (Montzen) rok [ZND m] || rok (door vrouwen gedragen) [ZND 17 (1935)] III-1-3
rokkostuum kostuum: kostym (Montzen) het rok-costuum [N 59 (1973)] III-1-3
rondtrekken van de processie bronken: brōŋkə (Montzen) Het rondtrekken van de processie [brónke]. [N 96C (1989)] III-3-3
roodborstje roodborstje: ruədbøͅəskə (Montzen) roodborstje [ZND m] III-4-1
roodvonk scarlatine (fr.): skarlatin (Montzen) Roodvonk: epidemische, zeer besmettelijke ziekte waarbij het lichaam overdekt wordt met rode vlekken (roodvonk, roodjong, St.Antonis / St.Teunis-vuur, plan). [N 107 (2001)] III-1-2
roof(je) (korst op een wonde) kankerd: ka͂.ŋkərt (Montzen), korst(je): kausch (Montzen), krap: kra.p (Montzen), krap (Montzen), roofe gebruikt men volgens de informant enkel m.b.t. de schelletjes die van het hoofd van kinderen vallen na de ziekte genaamd croute de lait, dial. vreesem.  kraap (Montzen), plak: pla.k (Montzen), plaak (Montzen), plak (Montzen, ... ), roof(je): roof (Montzen), rôf (Montzen) een korst (roof) op een wonde [ZND 01u (1924)] || roof (korst op een wonde) [ZND 06 (1924)], [ZND m], [ZND m] III-1-2
roofbijen roofbijen: (enk)  rōfbej (Montzen) Bijen die honing roven bij andere volken. Wanneer bijen in drachtloze perioden geen honing meer kunnen vinden in de bloemen, dan gaan ze die zoeken bij andere volken. [N 63, 67c; N 63, 67a; Ge 37, 96; monogr.] II-6