| 20446 |
rouwsluier |
treursluier:
ənə trūrsjløjər (Q253p Montzen)
|
een rouwsluier, voile, falie [N 96D (1989)]
III-2-2
|
| 21101 |
roux |
bruine botersaus:
brŭng bottersòs (Q253p Montzen)
|
Hoe heet het met vet of boter bruin gemaakt meel, dat dient om soep of groenten klaar te maken (Fr. un roux) ? Un roux (composé de farine et de beurre roussi). [ZND 02 (1923)]
III-2-3
|
| 28078 |
roven |
roven:
rōvǝ (Q253p Montzen)
|
Het nemen van honing door bijen bij andere volken. Bepaalde bijen zijn roofziek van aard en zij proberen honing te bemachtigen overal waar ze die kunnen aantreffen. De aangevallenen proberen de woning wel te verdedigen maar lang niet altijd lukt dat. Overwinnen de rovers, dan wordt heel de korf of kast leeggedragen. Roven kan leiden tot veldslagen tussen bijenvolken, waarbij niet veel bijen overleven. [N 63, 67a; N 63, 67b; Ge 37, 95]
II-6
|
| 24524 |
rozenbottel |
eiker:
eikere (Q253p Montzen),
haanspikkel:
haanspikəl (Q253p Montzen),
hanenpik:
hanepék (Q253p Montzen),
hanenpikkel:
hānep‧ĕkel (Q253p Montzen),
hanenpink:
hanepéŋk (Q253p Montzen)
|
rozebottel [ZND 02 (1923)]
III-4-3
|
| 23721 |
rozenhoedje |
rozenkrans:
dər ruəzəkrāns (Q253p Montzen)
|
Een Rozenhoedje (waarbij men 1 maal het bidsnoer langs gaat). [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23716 |
rozenkrans |
rozenkrans:
dər ruəzəkrāns (Q253p Montzen)
|
De rozenkrans, het bidsnoer [bid-vr-ons?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23722 |
rozenkransgebed |
rosaire (fr.):
Van Dale (FN): rosaire, rozenkrans, rozenkransgebed.
dər rozɛ̄r (Q253p Montzen)
|
Het Rozenkransgebed (hierbij gaat men 3 maal het bidsnoer langs) . [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23730 |
rozenkransmaand |
rozenkransmaand:
dər ruəzəkrānsmont (Q253p Montzen)
|
De Rozenkransmaand (d.w.z. oktober). [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 17767 |
rug |
kern:
kęǝn (Q253p Montzen),
rug:
rök (Q253p Montzen),
rø.k (Q253p Montzen)
|
Het gedeelte van de huid dat de rug bedekt. Zie afb. 1. [N 60, 3h; N 36, 6a] || rug [ZND 06 (1924)], [ZND m]
II-10, III-1-1
|
| 29078 |
rugband |
martingale:
martẽ̜qal (Q253p Montzen)
|
De band achter in de (driedelige) rug van een colbert. Vergelijk de lemmata ɛplatstukɛ en ɛjukstukɛ.' [N 59, 92]
II-7
|