| 25043 |
schaduw, lommer |
scheem:
sjéém (Q253p Montzen),
šēm (Q253p Montzen),
ṣēm (Q253p Montzen)
|
schaduw [ZND m] || schaduw (lommer) [RND]
III-4-4
|
| 21483 |
schafttijd |
cafstijd:
kafesti:t (Q253p Montzen)
|
schafttijd [RND]
III-3-1
|
| 30956 |
schalmen |
het leer uitdunnen:
ǝt lę̄r utdønǝ (Q253p Montzen)
|
Het langs de kanten schuin afsnijden van het leer. "Bij contrefort en neus moet er goed voor gezorgd worden, dat de kanten dun uitloopen, zoodat geen oneffenheden in het bovenleer ontstaan op de plaats, waar contrefort en neus eindigen; zij moeten worden geschift." (Directie, pag. 300). Schalmen is hetzelfde als schiften (Liedmeier, pag. 23). [N 60, 50b]
II-10
|
| 30957 |
schalmmes |
schoestersmes:
šustǝšmɛts (Q253p Montzen)
|
Het mes waarmee men het leer schalmt of schift. Volgens de informant van Q 18 is een schalmmes aan één kant wat gebold en volgens de informant van L 163a is het een soort overleermes. Later is volgens de informant van L 293 voor het schalmmes een schalmmachine in de plaats gekomen. [N 60, 50b]
II-10
|
| 30958 |
schalmplank |
bredje:
brętšǝ (Q253p Montzen)
|
Het houten blok of de plank waarop men het leer schalmt ofwel afschuint. Volgens de informant van L 293 schalmt men overleer op glas en zoolleer op een plank. [N 60, 51a]
II-10
|
| 30959 |
schalmsteen |
steen voor uit te dunnen:
štę̄n vø̜ ut tǝ dønǝ (Q253p Montzen)
|
De steen waarop men het leer afschuint of schalmt. "Om de uitgesneden lederstukken gelijkmatig te kunnen schalmen, heeft men een schalmplaat noodig. Daartoe leenen zich uitstekend lithografische steenen, omdat men daarop tevens het leer kan omslaan; de steen of schalmplaat moet zuiver vlak en effen zijn." (Knöfel I, pag. 178). [N 60, 51b]
II-10
|
| 19129 |
schande |
schande:
dat es em schand (Q253p Montzen),
dat es en schand (Q253p Montzen),
dat ès ən sjant (Q253p Montzen),
ed éz en schant (Q253p Montzen),
sjant (Q253p Montzen)
|
Schande [scha.nd]. [N 96D (1989)] || t Is een schande. [ZND 06 (1924)]
III-3-3
|
| 17730 |
scheel |
scheel (bn.):
schè:l (Q253p Montzen),
šēͅ:l (Q253p Montzen)
|
Hij ziet scheel. [ZND 06 (1924)] || scheel [ZND m]
III-1-1
|
| 17729 |
scheel zien |
scheel zien:
sjeel ziø (Q253p Montzen)
|
Scheel zien: gebrek van de ogen waarbij de oogassen niet op een zelfde punt gericht kunnen worden (scheel zien, scheel kijken, loensen) [N 108 (2001)]
III-1-1
|
| 17774 |
scheen |
scheen:
schè:n (Q253p Montzen),
sè:n (Q253p Montzen)
|
De scheen (voorste deel van het been). [ZND 06 (1924)] || scheen [ZND m]
III-1-1
|