e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
schaduw, lommer scheem: sjéém (Montzen), šēm (Montzen), ṣēm (Montzen) schaduw [ZND m] || schaduw (lommer) [RND] III-4-4
schafttijd cafstijd: kafesti:t (Montzen) schafttijd [RND] III-3-1
schalmen het leer uitdunnen: ǝt lę̄r utdønǝ (Montzen) Het langs de kanten schuin afsnijden van het leer. "Bij contrefort en neus moet er goed voor gezorgd worden, dat de kanten dun uitloopen, zoodat geen oneffenheden in het bovenleer ontstaan op de plaats, waar contrefort en neus eindigen; zij moeten worden geschift." (Directie, pag. 300). Schalmen is hetzelfde als schiften (Liedmeier, pag. 23). [N 60, 50b] II-10
schalmmes schoestersmes: šustǝšmɛts (Montzen) Het mes waarmee men het leer schalmt of schift. Volgens de informant van Q 18 is een schalmmes aan één kant wat gebold en volgens de informant van L 163a is het een soort overleermes. Later is volgens de informant van L 293 voor het schalmmes een schalmmachine in de plaats gekomen. [N 60, 50b] II-10
schalmplank bredje: brętšǝ (Montzen) Het houten blok of de plank waarop men het leer schalmt ofwel afschuint. Volgens de informant van L 293 schalmt men overleer op glas en zoolleer op een plank. [N 60, 51a] II-10
schalmsteen steen voor uit te dunnen: štę̄n vø̜ ut tǝ dønǝ (Montzen) De steen waarop men het leer afschuint of schalmt. "Om de uitgesneden lederstukken gelijkmatig te kunnen schalmen, heeft men een schalmplaat noodig. Daartoe leenen zich uitstekend lithografische steenen, omdat men daarop tevens het leer kan omslaan; de steen of schalmplaat moet zuiver vlak en effen zijn." (Kn√∂fel I, pag. 178). [N 60, 51b] II-10
schande schande: dat es em schand (Montzen), dat es en schand (Montzen), dat ès ən sjant (Montzen), ed éz en schant (Montzen), sjant (Montzen) Schande [scha.nd]. [N 96D (1989)] || t Is een schande. [ZND 06 (1924)] III-3-3
scheel scheel (bn.): schè:l (Montzen), šēͅ:l (Montzen) Hij ziet scheel. [ZND 06 (1924)] || scheel [ZND m] III-1-1
scheel zien scheel zien: sjeel ziø (Montzen) Scheel zien: gebrek van de ogen waarbij de oogassen niet op een zelfde punt gericht kunnen worden (scheel zien, scheel kijken, loensen) [N 108 (2001)] III-1-1
scheen scheen: schè:n (Montzen), sè:n (Montzen) De scheen (voorste deel van het been). [ZND 06 (1924)] || scheen [ZND m] III-1-1