| 26397 |
scheut |
kiem:
kīm (Q253p Montzen),
scheut:
šø̜t (Q253p Montzen)
|
Uitspruitsel van een plant, inzonderheid de aardappel. Vaak is er een meervoud gevraagd of opgegeven; vaak ook zijn de enkelvoudsvormen gelijk aan de meervoudsvormen. Alleen wanneer uitdrukkelijk de meervoudsvormen werden gevraagd en opgegeven, zijn deze ook hier opgenomen. Bij de verkleinwoorden onder het type scheutje is het ondoorzichtig of het om het grondwoord scheut of schot gaat. Kien moet begrepen worden als een contaminatie van kiem (voor de klinker) en kijn (voor de slotmedeklinker). Zie ook het lemma Uitlopers Van Kuilaardappelen. [N M, 16a; JG 1a, 1b; L 1, a-m; L 1u, 120; L B2, 282; S 17; S 31; monogr.; add. uit L 30, 39; S 22]
I-5
|
| 21365 |
schieten |
schieten:
šiətə (Q253p Montzen)
|
schieten [ZND m]
III-3-1
|
| 23634 |
schietgebed(je) |
schietgebedje:
ət schiətgəbɛtsje (Q253p Montzen)
|
Een schietgebed(je), stootgebed. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23637 |
schietgebedjes doen |
schietgebedjes beden:
?
schietgəbɛtsjərə bɛ̄nə (Q253p Montzen)
|
Schietgebedjes doen [kreppelen?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23913 |
schijnheilig |
schijnheilig:
sjīnheləX (Q253p Montzen)
|
Schijnheilig [schienhèllig]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 19765 |
schilderij |
bild (d.):
bēlt (Q253p Montzen),
gemèlde (d.):
gəmēldə (Q253p Montzen),
schild:
šeͅlt (Q253p Montzen),
šīlt (Q253p Montzen),
Karte 38.
schild/Schild n. (Q253p Montzen),
tableau (fr.):
Karte 38.
tableau (Q253p Montzen)
|
Gemälde. || schilderij [ZND 06 (1924)]
III-2-1, III-3-2
|
| 24491 |
schimmel (plantje) |
schimmel:
schömel (Q253p Montzen)
|
schimmel [ZND 06 (1924)]
III-4-3
|
| 30839 |
schimmelen |
beschimmelen:
bǝšømǝlǝ (Q253p Montzen)
|
Met schimmel bedekt raken, beschimmelen, gezegd van het vetleer. "Leder, in vochtige plaatsen opgestapeld, is blootgesteld aan beschimmeling, die het weefsel soms volledig vernietigt, gemakkelijk doet scheuren en breken. Om de schimmel van bovenleder te verwijderen, dient men het aan de lucht bloot te stellen; indien de slechte weersgesteldheid zulks niet toelaat, moet men het leder in verwarmde plaatsen onderbrengen, om het aldus te drogen." (Aras II, pag. 122-123). [N 60, 12]
II-10
|
| 21244 |
schip |
schip:
scheef, schēffe, schéfke (Q253p Montzen),
schēf, twee schéffe, schéfke (Q253p Montzen),
schĕf, twâj schĕfer, klê schĕfke (Q253p Montzen),
sjif, twej sjiftər, klee sjifkə (Q253p Montzen),
šif (Q253p Montzen),
šift (Q253p Montzen)
|
Een schip, twee schepen, een klein scheepje. [ZND 06 (1924)] || schip [RND]
III-3-1
|
| 21248 |
schipper |
man van het schip:
ma.n vagə šif (Q253p Montzen),
ma.n vagə šift (Q253p Montzen)
|
schipper [RND]
III-3-1
|