| 18458 |
binnennaaigroef [wld ii.10, p. 41] |
voor:
vōr (Q253p Montzen)
|
De sleuf die men maakt rondom de rand van de binnenzool om onder het binnenvlak, dat met de voetzool in aanraking kwam en dus effen en glad moest blijven, door te naaien (groef?) Zie tek. 88. [N 60 (1973)]
III-1-3
|
| 30990 |
binnenneus |
kap:
kap (Q253p Montzen)
|
Het stijve stuk leer, in de vorm van een schoenneus, dat ter versterking in de neus aangebracht wordt. Zie afb. 37. [N 60, 81a; N 60, 81b]
II-10
|
| 18449 |
binnenneus [wld ii.10, p. 39] |
kap:
kap (Q253p Montzen)
|
Een stijf stuk leer in de vorm van een schoenneus, aangebracht in de neus van een schoen ter versterking? (binnenneus?) [N 60 (1973)]
III-1-3
|
| 28837 |
binnenvoering |
stof met kalander:
štōf męt klandǝr (Q253p Montzen),
tussenvoering:
tøšǝvōdǝx (Q253p Montzen)
|
Voeringstof die steun en vormvastheid geeft aan bepaalde plaatsen en onderdelen van een kledingstuk. Er zijn verschillende soorten binnenvoering. Zo is stoom een gaas dat sterk gepapt is, in katoen of rayon (Meima I, pag. 209). Dit dient voor tussenvoering in vesten en de onderkant van mouwen. [N 59, 36; N 59, 39; N 59, 133]
II-7
|
| 29044 |
binnenvoering innaaien |
aannaaien:
ē̜nniǝnǝ (Q253p Montzen)
|
Het innaaien van de binnenvoering. [N 59, 118]
II-7
|
| 30988 |
binnenzool |
brandzool:
brantzǭl (Q253p Montzen)
|
Het stuk leer ter lengte van de hele voet en in de vorm daarvan, waaroverheen het overleer wordt omgeslagen bij het overhalen en waaronder de tussenzool, de loopzool en hak bevestigd worden. [N 60, 77; N 60, 233f; N 60, 233a]
II-10
|
| 18448 |
binnenzool [wld ii.10, p. 38] |
brandzool:
brantzōl (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen)
|
Een binnenzool? [N 60 (1973)] || Een stuk leer ter lengte van de hele voet en in de vorm daarvan, waaroverheen het overleer wordt omgeslagen bij het overhalen en waaronder de tussenzool, de loopzool en hak bevestigd worden? (binnenzool?) Vgl. tek. 105 [N 60 (1973)]
III-1-3
|
| 22689 |
bioscoop |
cinema:
Karte 240.
cinema (Q253p Montzen)
|
(Ich gehe ins) Kino.
III-3-2
|
| 24075 |
bisdom |
bisdom:
ə besdom (Q253p Montzen)
|
Een bisdom of diocees. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 24074 |
bisschop |
bisschop:
ənə bøsjəf (Q253p Montzen)
|
Een bisschop [busschop, biskop, bissjep]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|