e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

Gevonden: 3044
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
binnennaaigroef [wld ii.10, p. 41] voor: vōr (Montzen) De sleuf die men maakt rondom de rand van de binnenzool om onder het binnenvlak, dat met de voetzool in aanraking kwam en dus effen en glad moest blijven, door te naaien (groef?) Zie tek. 88. [N 60 (1973)] III-1-3
binnenneus kap: kap (Montzen) Het stijve stuk leer, in de vorm van een schoenneus, dat ter versterking in de neus aangebracht wordt. Zie afb. 37. [N 60, 81a; N 60, 81b] II-10
binnenneus [wld ii.10, p. 39] kap: kap (Montzen) Een stijf stuk leer in de vorm van een schoenneus, aangebracht in de neus van een schoen ter versterking? (binnenneus?) [N 60 (1973)] III-1-3
binnenvoering stof met kalander: štōf męt klandǝr (Montzen), tussenvoering: tøšǝvōdǝx (Montzen) Voeringstof die steun en vormvastheid geeft aan bepaalde plaatsen en onderdelen van een kledingstuk. Er zijn verschillende soorten binnenvoering. Zo is stoom een gaas dat sterk gepapt is, in katoen of rayon (Meima I, pag. 209). Dit dient voor tussenvoering in vesten en de onderkant van mouwen. [N 59, 36; N 59, 39; N 59, 133] II-7
binnenvoering innaaien aannaaien: ē̜nniǝnǝ (Montzen) Het innaaien van de binnenvoering. [N 59, 118] II-7
binnenzool brandzool: brantzǭl (Montzen) Het stuk leer ter lengte van de hele voet en in de vorm daarvan, waaroverheen het overleer wordt omgeslagen bij het overhalen en waaronder de tussenzool, de loopzool en hak bevestigd worden. [N 60, 77; N 60, 233f; N 60, 233a] II-10
binnenzool [wld ii.10, p. 38] brandzool: brantzōl (Montzen, ... ) Een binnenzool? [N 60 (1973)] || Een stuk leer ter lengte van de hele voet en in de vorm daarvan, waaroverheen het overleer wordt omgeslagen bij het overhalen en waaronder de tussenzool, de loopzool en hak bevestigd worden? (binnenzool?) Vgl. tek. 105 [N 60 (1973)] III-1-3
bioscoop cinema: Karte 240.  cinema (Montzen) (Ich gehe ins) Kino. III-3-2
bisdom bisdom: ə besdom (Montzen) Een bisdom of diocees. [N 96D (1989)] III-3-3
bisschop bisschop: ənə bøsjəf (Montzen) Een bisschop [busschop, biskop, bissjep]. [N 96D (1989)] III-3-3