| 19411 |
schroeien |
snerken:
schnĕreke (Q253p Montzen),
šnɛrəkə (Q253p Montzen),
versnerken:
verschnereke (Q253p Montzen),
vəršnɛrəkə (Q253p Montzen)
|
schroeien [ZND 06 (1924)] || schroeien (zengen) [ZND 08 (1925)]
III-2-1
|
| 31044 |
schrooien |
bijsnijden:
bę̄jšniǝ (Q253p Montzen)
|
Het gelijksnijden van de zool- en hakrand na het in elkaar naaien van de schoen. [N 60, 115a]
II-10
|
| 31045 |
schrooimes |
schoestersmes:
šustǝšmɛts (Q253p Montzen)
|
Het mes waarmee men schrooit. Uit de antwoorden van de informanten blijkt dat hiervoor meestal het gewone schoenmakersmes wordt gebruikt. De informant van Q 121c merkt op dat dit schrooien intussen al lang gemechaniseerd is. [N 60, 115b]
II-10
|
| 18844 |
schuchter |
bleu:
ook materiaal znd 21, 36
blejə (Q253p Montzen),
blūūə (Q253p Montzen)
|
schuchter (bloode) [ZND 01 (1922)]
III-1-4
|
| 29692 |
schuif |
kap:
kap (Q253p Montzen)
|
Het bovenste, losse gedeelte van een schuifleest, dat met een schroef of een spijker aan het overige gedeelte van deze leest kan worden vastgemaakt. [N 60, 187b]
II-10
|
| 19501 |
schuifgrendel |
schoude:
šǭw (Q253p Montzen),
vergel:
verekel (Q253p Montzen)
|
schuifgrendel [N 07 (1961)] || Toestel waarmee deuren, luiken, etc. gesloten kunnen worden. Het bestaat uit een ronde, volgens de invuller uit Q 193 platte, metalen staaf die schuivend onder haken op een plaat is bevestigd. De schuifgrendel dient om een raam of deur in gesloten toestand vast te zetten. Zie afb. 64. Vgl. ook het lemma 'Krukschuifje'. Zie voor het woordtype 'schoude' ook RhWb (vii), kol. 886, s.v. 'Schalte': ø̄eisener Riegel zum Schieben, durch eine Schlaufe gehend, bei Holztoren, Garten-, Stalltüren, am Fensterladen.ø̄ [N 54, 94a; N 54, 96; L 6, 50; monogr.]
II-9, III-2-1
|
| 23385 |
schuifje van de biechtstoel |
ruitje:
traliewerk
rutsje (Q253p Montzen),
schuifje:
schuifje
sjufke (Q253p Montzen)
|
Het afsluitbare traliewerk, de schuif in de biechtstoel. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 30874 |
schuifleest |
leest met een kap:
lę̄s met ǝn kap (Q253p Montzen)
|
De houten leest met een los bovengedeelte, een zogenaamde schuif of kap. "De leest bestaat gewoonlijk uit het onderste gedeelte (de leest) en den dop of schuif (ook kwijn of coin genaamd); deze laatste wordt op de leest vastgehouden door middel van een schroef of veer." (Aras, pag. 67). [N 60, 187a; N 60, 187b]
II-10
|
| 30842 |
schuifmaat |
voetmaat:
vōtmǭt (Q253p Montzen)
|
Een apparaat van hout met twee opstaande latjes waarmee men de lengte van de voet meet. Van de twee opstaande latjes is er één opklapbaar en verschuifbaar. Dit plaatst men tegen de teen. Het andere staat vast; hiertegen wordt de hiel geplaatst. [N 60, 152a; N 60, 152b]
II-10
|
| 25912 |
schuim |
schuim:
šūm (Q253p Montzen)
|
Het schuim dat zich vormde op de kokende stroop. [N 57, 27a]
II-2
|