| 18022 |
slijm |
slijm:
ṣlīm (Q253p Montzen)
|
Slijm: kleverige taaie stof, als afscheiding van de slijmvliezen (slijm, zwadder, snotter, snot). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 25353 |
slijpsteen |
slijpsteen:
šlī.pštē.n (Q253p Montzen)
|
Steen waarop gereedschappen als beitels, schroevendraaiers, etc. geslepen worden; meer in het bijzonder ook de ronde steen die om een spil of as draait en in een slijpstelling of aan een elektrische slijpmachine is bevestigd. Als slijpsteen worden korrelige, zeer harde steensoorten als amaril en carborundum gebruikt. Zij worden geleverd in grove, middel- en fijne korrel. Zie ook afb. 1. [N 33, 271; L 6, 68b; monogr.; div.]
II-11
|
| 28662 |
slingeren |
schleudern:
šlø̜jdǝrǝ (Q253p Montzen)
|
Het oogsten van honing door middel van een honingslinger. De ramen worden zo geplaatst dat de toplatten achteraan komen. De reden is dat de stand van de cellen van binnen naar buiten wijst, iets schuin omhoog. [N 63, 126; N 63, 123a; JG 1b; Ge 37, 174; monogr.]
II-6
|
| 18270 |
slipjas |
flankaard:
WNT: flankaard, flankerd. Van Flank. 1) Pand van een jas; 2) In Limburg: Lange jas (Schuermans).
fleŋkərt (Q253p Montzen),
flênkert (Q253p Montzen),
snippel:
Fr. jacquette. [sic; snippel snipper?]
snépel (Q253p Montzen),
zwaluwstots:
zwellemstuts (Q253p Montzen)
|
het jacquet-jas (slipjas, billetikker) [N 59 (1973)] || jas (fr. habit) [ZND m] || jas (fr. jacquette) [ZND m]
III-1-3
|
| 18503 |
slob [wld ii.10, p. 58] |
(lucht):
Wellicht; geen bijzondere benaming.
luət (Q253p Montzen)
|
Hoe noemt u de overbodige ruimte van het boventuig, in de inschot of ter hoogte van het hol (slob)? [N 60 (1973)]
III-1-3
|
| 31119 |
slobben |
flotsen:
flødžǝ (Q253p Montzen),
gapen:
gāpǝ (Q253p Montzen)
|
Te veel of overbodige ruimte hebben of niet goed aansluiten, gezegd van schoenen. [N 60, 30b; N 60, 30c]
II-10
|
| 18445 |
slobben [wld ii.10, p. 58] |
flotsen:
dər šōn gēt flødžə (Q253p Montzen),
gapen:
dər šōn gēt gāpə (Q253p Montzen)
|
Hoe zegt u: De schoen zal bij de inschot niet goed aansluiten? (de schoen heeft geen goed slot [N 60 (1973)] || Hoe zegt u: De schoen zal te veel overbodige ruimte hebben (slobben?) [N 60 (1973)]
III-1-3
|
| 18299 |
slobkous |
gamasche:
kamas (Q253p Montzen)
|
slopkous [ZND m]
III-1-3
|
| 17948 |
sloffen |
sletsen:
sjlødzjə (Q253p Montzen)
|
Zodanig lopen dat de zool over de grond schuift (sloffen, klossen, sjroevelen, sjroeffelen) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 17695 |
slokdarm |
slokdarm:
ṣlukdɛ̄rəm (Q253p Montzen)
|
Slokdarm (slikdarm, krop, gorgel). [N 109 (2001)]
III-1-1
|