e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
slons (slodder?) hagel: hagəl (Montzen), sladder van een wijf: schladder van e weef (Montzen), slodder: schlŏder (Montzen), sloester: sjlostər (Montzen), smodder: schmodder (Montzen), smuddel (du.): schmoedel (Montzen) Een slodder, slons, sloor (vuil wijf). [ZND 06 (1924)] III-1-4
slot slot: šl ̇ot (Montzen  [(meervoud: šl ̇otǝr)]  ) Toestel dat als sluiting op deuren wordt aangebracht, waarbij door middel van een sleutel een schoot of tong wordt uitgeschoven die in een gat in de stijl van het kozijn valt. [N 54, 94b; L 6, 73a; S 33; monogr.] II-9
sluik haar plat haar: plat hōr (Montzen) Recht, sluik haar (stijf/plat haar, pemelen, piezelen, stekelhaar). [N 109 (2001)] III-1-1
sluipen schleichen (du.): sjlikø (Montzen) Sluipen: zich in alle stilte voortbewegen, zodat niemand het merkt (sluipen, kruipen, gluipen) [N 108 (2001)] III-1-2
sluitklep slag: WNT: slag, 64) Plank of klep, die door middel van een scharnier kan neerslaan.  sjlāx (Montzen) deze klep (klep, presenteer blad) [N 59 (1973)] III-1-3
smaak smaak: ṣmāk (Montzen) Smaak (smaak, goesting). [N 109 (2001)] III-1-1
smalle weg, pad voetpad: vōtpat (Montzen) Een smalle weg, een pad in het algemeen. In L 40, 25 werd gevraagd naar de dialectwoorden voor ø̄een smalle weg, een padø̄ en in N M, 5 naar die voor ø̄een pad of een veeweg door een weiø̄. Omdat er in de antwoorden op beide vragen veel overlapping zat, zijn deze in √©√©n lemma ondergerbacht. Uiteraard duiden woorden als veeweg, weiweg, koegang e.a. specifiek op een weg door een wei. [N M 5; N P, 2; S 27; L 40, 25; R I, 3; A 25, 6 add.; L 19B, 6; monogr.] I-8
smeulen ameren: ōmərt (Montzen), motteren: m`ŏtert (Montzen), slapen: schlöpt (Montzen), sluimeren: (schlummert) (Montzen), smeulen: smeult (Montzen) smeulen [ZND 06 (1924)] III-2-1
smid smid: šmet (Montzen), šmiǝt (Montzen), šmęt (Montzen) In het algemeen een handwerksman die metaal, meestal ijzer, met behulp van hamers en andere gereedschappen bewerkt om er werktuigen of andere voorwerpen van te vervaardigen. Doorgaans wordt het metaal voor de verwerking in de smidsvuurhaard verhit en vervolgens op het aambeeld met behulp van smeedhamers in een bepaalde vorm gesmeed. Het woordtype vlammer (Q 113) is een afleiding van het werkwoord vlammen (vlɛmǝ) dat onder meer "slaan" kan betekenen. Vgl. ook RhWb II, kol. 548 s.v. Flammer, "Schmied".' [Wi 6; S 33; L 6, 78; L 8, 99; Weijnen BN 4, 6; N 33, 1a-b; monogr.] II-11
smidse smeed: šmęt (Montzen) In het algemeen de werkplaats van een smid en meer in het bijzonder de plaats waar de smidsvuurhaard is ondergebracht. Zie ook afb. 1. [N 33, 5; S 33; JG 1a; JG 1b; monogr.] II-11