| 18977 |
slons (slodder?) |
hagel:
hagəl (Q253p Montzen),
sladder van een wijf:
schladder van e weef (Q253p Montzen),
slodder:
schlŏder (Q253p Montzen),
sloester:
sjlostər (Q253p Montzen),
smodder:
schmodder (Q253p Montzen),
smuddel (du.):
schmoedel (Q253p Montzen)
|
Een slodder, slons, sloor (vuil wijf). [ZND 06 (1924)]
III-1-4
|
| 19894 |
slot |
slot:
šl ̇ot (Q253p Montzen
[(meervoud: šl ̇otǝr)]
)
|
Toestel dat als sluiting op deuren wordt aangebracht, waarbij door middel van een sleutel een schoot of tong wordt uitgeschoven die in een gat in de stijl van het kozijn valt. [N 54, 94b; L 6, 73a; S 33; monogr.]
II-9
|
| 17577 |
sluik haar |
plat haar:
plat hōr (Q253p Montzen)
|
Recht, sluik haar (stijf/plat haar, pemelen, piezelen, stekelhaar). [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 17933 |
sluipen |
schleichen (du.):
sjlikø (Q253p Montzen)
|
Sluipen: zich in alle stilte voortbewegen, zodat niemand het merkt (sluipen, kruipen, gluipen) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 18542 |
sluitklep |
slag:
WNT: slag, 64) Plank of klep, die door middel van een scharnier kan neerslaan.
sjlāx (Q253p Montzen)
|
deze klep (klep, presenteer blad) [N 59 (1973)]
III-1-3
|
| 17741 |
smaak |
smaak:
ṣmāk (Q253p Montzen)
|
Smaak (smaak, goesting). [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 33691 |
smalle weg, pad |
voetpad:
vōtpat (Q253p Montzen)
|
Een smalle weg, een pad in het algemeen. In L 40, 25 werd gevraagd naar de dialectwoorden voor ø̄een smalle weg, een padø̄ en in N M, 5 naar die voor ø̄een pad of een veeweg door een weiø̄. Omdat er in de antwoorden op beide vragen veel overlapping zat, zijn deze in √©√©n lemma ondergerbacht. Uiteraard duiden woorden als veeweg, weiweg, koegang e.a. specifiek op een weg door een wei. [N M 5; N P, 2; S 27; L 40, 25; R I, 3; A 25, 6 add.; L 19B, 6; monogr.]
I-8
|
| 19421 |
smeulen |
ameren:
ōmərt (Q253p Montzen),
motteren:
m`ŏtert (Q253p Montzen),
slapen:
schlöpt (Q253p Montzen),
sluimeren:
(schlummert) (Q253p Montzen),
smeulen:
smeult (Q253p Montzen)
|
smeulen [ZND 06 (1924)]
III-2-1
|
| 27252 |
smid |
smid:
šmet (Q253p Montzen),
šmiǝt (Q253p Montzen),
šmęt (Q253p Montzen)
|
In het algemeen een handwerksman die metaal, meestal ijzer, met behulp van hamers en andere gereedschappen bewerkt om er werktuigen of andere voorwerpen van te vervaardigen. Doorgaans wordt het metaal voor de verwerking in de smidsvuurhaard verhit en vervolgens op het aambeeld met behulp van smeedhamers in een bepaalde vorm gesmeed. Het woordtype vlammer (Q 113) is een afleiding van het werkwoord vlammen (vlɛmǝ) dat onder meer "slaan" kan betekenen. Vgl. ook RhWb II, kol. 548 s.v. Flammer, "Schmied".' [Wi 6; S 33; L 6, 78; L 8, 99; Weijnen BN 4, 6; N 33, 1a-b; monogr.]
II-11
|
| 31192 |
smidse |
smeed:
šmęt (Q253p Montzen)
|
In het algemeen de werkplaats van een smid en meer in het bijzonder de plaats waar de smidsvuurhaard is ondergebracht. Zie ook afb. 1. [N 33, 5; S 33; JG 1a; JG 1b; monogr.]
II-11
|