| 20121 |
spinnen |
spinnen:
špęnǝ (Q253p Montzen)
|
De handeling die met behulp van een spinnewiel werd verricht. Vooral voor vlas en hennep was het raadzaam de spinvingers nat te houden tijdens het spinnen. Hiervoor had men een klein potje met water aan rokken of wiel hangen (Weyns, pag. 844-845). Soms werden daartoe ook wel kleine, twee-orige kruikjes van ongeveer 7 cm hoog gebruikt, gebakken onder andere te Raeren. [N 34, C; RND 3; Wi 27; S 34; monogr.]
II-7
|
| 24381 |
spinnenweb |
spinnengeweb:
špenəjəwøp (Q253p Montzen),
špeͅnəgəwø.b (Q253p Montzen),
spinnenweb:
špeͅnəwø.b (Q253p Montzen)
|
spinnenweb [RND], [ZND 07 (1924)]
III-4-2
|
| 32749 |
spitten |
graven:
gr ̇ãvǝ (Q253p Montzen)
|
In de tuin, op een zeer klein perceel of een moeilijk te ploegen hoek van een akker de grond met een spade - al dan niet in voren - uitsteken en omkeren. De simplicia spaden, graven e.d. zijn bij absoluut gebruik van toepassing op het spitwerk als zodanig. Meestal kunnen ze ook transitief gebruikt worden met het te bewerken stuk grond (de tuin e.d.) als object. [N 11, 65a; N 11A, 146a + b + c; N 11A, 50b add; RND 4 + 7 + 8 + 10, zin 4; A 33, 6 + 7 + 16 add.; L 7, 25; S 34; Lu 1, 1c; monogr.; div.]
I-1
|
| 30803 |
split |
croûte:
krut (Q253p Montzen)
|
Een lap leer van de vleeskant die ontstaat door het leer in de lengte in tweeën te snijden. Verschillende informanten (Q 32 en Q 253) merken op dat dit stuk van minderwaardige kwaliteit is. [N 60, 3c; N 60, 1b; N 60, 3b]
II-10
|
| 30955 |
splitten |
splijten:
šplītǝ (Q253p Montzen)
|
Het van elkaar snijden van het nerfleer en het splitleer, oftewel het scheiden van de nerf en de croûte. Ook als men een geleidelijk toelopende rand wil hebben, zoals van contrefort en omloper, split of schift men het leer (Liedmeier, pag. 23). [N 60, 50a]
II-10
|
| 28460 |
spoorwieltje |
oplegradje:
oplɛ̄xrɛtšǝ (Q253p Montzen),
zweetradje:
zwētrɛtšǝ (Q253p Montzen)
|
Een wieltje aan een handvat dat dient om draden in een kunstraat te bevestigen. [N 63, 15]
II-6
|
| 34483 |
sporen van de haan |
sporen:
sporǝ (Q253p Montzen),
spǫǝr (Q253p Montzen),
spǭrǝ (Q253p Montzen),
šporǝ (Q253p Montzen)
|
Doornachtige hoornuitwas van de poten van de haan. [N 6, 3; L 7, 27b; monogr.]
I-12
|
| 18532 |
sportvest |
sportrok:
špoͅrtroͅk (Q253p Montzen)
|
een sportvest [N 59 (1973)]
III-1-3
|
| 24249 |
spreeuw |
spraan:
šprōͅ:n (Q253p Montzen)
|
spreeuw [ZND 07 (1924)]
III-4-1
|
| 21352 |
spreken, praten |
kallen:
dŭtsch kale (Q253p Montzen)
|
Hij kan Vlaams (Diets, Duuts) praten. [ZND 08 (1925)]
III-3-1
|