e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
sprenkelen met de wijwaterkwast met het wijwater rondgaan: met et wīwāter rontguə, zɛ̄ne (Montzen) Met de wijwaterskwast sprenkelend door de kerk gaan, de besprenkeling met wijwater aan het begin van de hoogmis. [N 96B (1989)] III-3-3
spreuk spreuk: spróx (Montzen) spreuk [ZND m] III-3-1
springen springen: špreŋə (Montzen) springen [ZND 25 (1937)] III-1-2
sproeten sproetelen: ṣprötəl (Montzen) Sproet (sproetelen, sproonselen). [N 109 (2001)] III-1-1
sprokkelen sprokkelhout rapen: sprøkəlhōt rāpe (Montzen) Sprokkelen: gevallen, dor hout zoeken (sprokkelen, (hout) rapen, zeumeren, kneppen) [N 108 (2001)] III-1-2
sprong sprong: šproŋk (Montzen) De mate waarin de zool omhoog loopt, gerekend vanaf de bal in de richting van de hak. Deze hoek is groter naarmate de hak hoger is. [N 60, 191] II-10
spruiten spruiten: sjproete (Montzen) spruitkool, spruiten als gerecht [N Q (1966)] III-2-3
spruitkool, spruitje spruiten: sjproete (Montzen), sprût (Montzen) [N Q (1966)] [ZND m] I-7
spruw zweermond: ẓwɛ̄rmōnt (Montzen) Spruw: de ontsteking van het slijmvlies in de mondholte vooral bij zuigelingen; aanvankelijk wordt dit vlies hoogrood en later met witte stippen bedekt (spruw, schuil, steenhuffel, mondzeer). [N 107 (2001)] III-1-2
spuiten spritsen (<du.): sjpritsə (Montzen) Met kracht vloeistof door een nauwe opening persen (spuiten, spruiten, spritsen, sprietelen) [N 108 (2001)] III-1-2