e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
staal muster (du.): Van Dale (DN): Muster, 4. staal, monster.  mûster (Montzen), staal: schtāl (Montzen, ... ), stoͅal (Montzen), štāl (Montzen), enkel voor stoffen  sjtaal (Montzen) Staal (monster). [ZND 07 (1924)] III-3-1
staart geitenstots: gētǝstuts (Montzen), pen: pɛn (Montzen), stots: stuts (Montzen), štu.ts (Montzen), štuts (Montzen), muv Q 199, 200, 283 en 284  štu.ts (Montzen), stotsje: šty.tskə (Montzen) [N 77, 89; monogr.]De scherpe kant van de hamer waarmee men de groef dichtmaakt. [N 60, 114b] || staart [ZND 07 (1924)] || staartje [ZND 38 (1942)] || Zie afbeelding 2.37. [JG 1a, 1b; RND 60] I-12, I-9, II-10, III-4-2
stabat mater stabat mater (lat.): dər stabat mātɛ̄r (Montzen) Het kruisweggezang "Stabat Mater Dolorosa". [N 96B (1989)] III-3-3
stad stad: štat (Montzen) stad [RND] III-3-1
staf van de suisse lans: lāns (Montzen), staf: schtāf (Montzen) De staf of hellebaard van de suisse [sjtaaf?]. [N 96B (1989)] III-3-3
stal stal: štã.l (Montzen) Een ruimte in het algemeen, die onderdak biedt aan vee. De benamingen kunnen zowel het gebouw, als de ruimte daarbinnen betreffen. Meestal wordt kortheidshalve van "de stal" gesproken, als men het veeverblijf en met name de koestal bedoelt. [JG 1a en 1b; Wi 11; S 50; L A1, 4; RND 97; monogr.; add. uit N 5A, passim] I-6
stallen stallen: de stale (Montzen), en pej stale (Montzen) De koorbanken aan de zijkanten van het priesterkoor [stallen, stalles, koorstallen, koorstoelen, kanunnikenbanken]. [N 96A (1989)] III-3-3
stalpoort, staldeur deur: dø̜̄r (Montzen) In dit lemma worden de algemene benamingen verzameld voor de deur van een stal of koestal, zowel die voor de dubbele deur of poort als ook die van de enkele deur die alleen voor personen wordt gebruikt. Aan de hand van de vaak transparante samenstellingen is doorgaans wel uit te maken op welk type poort of deur de benaming betrekking heeft, waar deze zich bevindt of welk doel zij heeft. Vergelijk ook de lemmata "voorstaldeur" (2.2.11), "schuurpoort" (3.1.2) en "poort" (4.1.1). Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (stal) het lemma "stal" (2.1.2) en voor die van het woorddeel (koestal) het lemma "koestal" (2.2.1). [N 5A, 51b, 52a, 53c; N 4, 39; N 5,112a; A 10, 7a; monogr.; add. uit N 5A, 34b, 44b] I-6
stam van de boom stam: štam (Montzen) boomstam [ZND m] III-4-3
stand platstaan: platštuǝ (Montzen), vaststaan: vāsštuǝ (Montzen) Het met zool en hak recht op de grond staan, gezegd van schoeisel. [N 60, 225a] II-10