| 21526 |
staal |
muster (du.):
Van Dale (DN): Muster, 4. staal, monster.
mûster (Q253p Montzen),
staal:
schtāl (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen),
stoͅal (Q253p Montzen),
štāl (Q253p Montzen),
enkel voor stoffen
sjtaal (Q253p Montzen)
|
Staal (monster). [ZND 07 (1924)]
III-3-1
|
| 20125 |
staart |
geitenstots:
gētǝstuts (Q253p Montzen),
pen:
pɛn (Q253p Montzen),
stots:
stuts (Q253p Montzen),
štu.ts (Q253p Montzen),
štuts (Q253p Montzen),
muv Q 199, 200, 283 en 284
štu.ts (Q253p Montzen),
stotsje:
šty.tskə (Q253p Montzen)
|
[N 77, 89; monogr.]De scherpe kant van de hamer waarmee men de groef dichtmaakt. [N 60, 114b] || staart [ZND 07 (1924)] || staartje [ZND 38 (1942)] || Zie afbeelding 2.37. [JG 1a, 1b; RND 60]
I-12, I-9, II-10, III-4-2
|
| 23690 |
stabat mater |
stabat mater (lat.):
dər stabat mātɛ̄r (Q253p Montzen)
|
Het kruisweggezang "Stabat Mater Dolorosa". [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 21272 |
stad |
stad:
štat (Q253p Montzen)
|
stad [RND]
III-3-1
|
| 23591 |
staf van de suisse |
lans:
lāns (Q253p Montzen),
staf:
schtāf (Q253p Montzen)
|
De staf of hellebaard van de suisse [sjtaaf?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 28377 |
stal |
stal:
štã.l (Q253p Montzen)
|
Een ruimte in het algemeen, die onderdak biedt aan vee. De benamingen kunnen zowel het gebouw, als de ruimte daarbinnen betreffen. Meestal wordt kortheidshalve van "de stal" gesproken, als men het veeverblijf en met name de koestal bedoelt. [JG 1a en 1b; Wi 11; S 50; L A1, 4; RND 97; monogr.; add. uit N 5A, passim]
I-6
|
| 21135 |
stallen |
stallen:
de stale (Q253p Montzen),
en pej stale (Q253p Montzen)
|
De koorbanken aan de zijkanten van het priesterkoor [stallen, stalles, koorstallen, koorstoelen, kanunnikenbanken]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 33345 |
stalpoort, staldeur |
deur:
dø̜̄r (Q253p Montzen)
|
In dit lemma worden de algemene benamingen verzameld voor de deur van een stal of koestal, zowel die voor de dubbele deur of poort als ook die van de enkele deur die alleen voor personen wordt gebruikt. Aan de hand van de vaak transparante samenstellingen is doorgaans wel uit te maken op welk type poort of deur de benaming betrekking heeft, waar deze zich bevindt of welk doel zij heeft. Vergelijk ook de lemmata "voorstaldeur" (2.2.11), "schuurpoort" (3.1.2) en "poort" (4.1.1). Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (stal) het lemma "stal" (2.1.2) en voor die van het woorddeel (koestal) het lemma "koestal" (2.2.1). [N 5A, 51b, 52a, 53c; N 4, 39; N 5,112a; A 10, 7a; monogr.; add. uit N 5A, 34b, 44b]
I-6
|
| 24579 |
stam van de boom |
stam:
štam (Q253p Montzen)
|
boomstam [ZND m]
III-4-3
|
| 31120 |
stand |
platstaan:
platštuǝ (Q253p Montzen),
vaststaan:
vāsštuǝ (Q253p Montzen)
|
Het met zool en hak recht op de grond staan, gezegd van schoeisel. [N 60, 225a]
II-10
|