| 19308 |
stiekem |
achterrugs:
aatereuks (Q253p Montzen),
heimlich (du.):
héemlich (Q253p Montzen),
ook materiaal znd 1u, 65
heemlech (Q253p Montzen)
|
geniepig [ZND 01 (1922)] || Heimelijk, geniepig, enz. [ZND 01u (1924)] || heimelijk, stiekem, in het geniep [stilles] [N 07 (1961)]
III-1-4
|
| 23552 |
stiekem uit de ampullen drinken |
van de pullen keuren:
van də pølə kōrə (Q253p Montzen)
|
Stiekem uit de ampullen drinken [pölle köäre?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 34050 |
stier |
stier:
štēr (Q253p Montzen),
štīr (Q253p Montzen)
|
Mannelijk, niet gecastreerd rund. [JG 1a, 1b; A 4, 12; Gwn V, 1; L 7, 46; L 14, 14; L 20, 12; R 3, 38; S 35; Wi 14; monogr.; add. uit N 3A, 15]
I-11
|
| 18003 |
stijf van vingers en handen |
stijf:
ṣtīf (Q253p Montzen)
|
Stijf, van vingers en handen gezegd (scheef, krom, stram). [N 109 (2001)]
III-1-2
|
| 19641 |
stijfsel |
stijf:
štif (Q253p Montzen),
samen met znd 7, 48
št‧īf (Q253p Montzen)
|
De pap waarmee men de zool en/of de rand afstijfselt. Alvorens men de zolen likt, smeert men ze in met stijfsel, waardoor een diepe glans ontstaat. [N 60, 121c] || de witte stof die gebruikt wordt om linnen stijf te maken (witte klontjes) [ZND 32 (1939)]
II-10, III-2-1
|
| 18014 |
stikken |
naaien:
niǝnǝ (Q253p Montzen),
twee stukken leer opeennaaien:
twę̄j štøkǝ lę̄r obę̄niǝnǝ (Q253p Montzen),
verstikken:
vərṣtekə (Q253p Montzen)
|
Het door middel van een draad aan elkaar bevestigen van twee stukken leer. Volgens de informanten wordt de term naaien gebezigd voor het vroegere handwerk (L 163a, Q 112a) en stikken voor het latere machinale werk (L 163a, Q 18 en Q 112a). [N 60, 54a; N 60, 239] || Stikken: sterven door ademgebrek (stikken, verstikken) [N 106 (2001)]
II-10, III-1-2
|
| 28894 |
stikmachine |
naaimachine:
niǝnmašiŋ (Q253p Montzen)
|
De machine waarmee men het stikwerk verricht. "Het stikken gebeurt tegenwoordig met uitzondering van het zware waterwerk, dat met de hand wordt gestikt, met een machine, in hoofdzaak van het zelfde model als de gewone naaimachine, alleen zwaarder gebouwd." (Directie, pag. 299). Een linkse-arm-machine duidt op het feit de de arm van de machine in dit geval links van de werkende persoon staat, hetgeen het werken zeer ten goede komt, omdat hierdoor hand noch oog gehinderd worden (zie Knöfel I, pag. 258). [N 60, 63; N 60, 237]
II-10
|
| 17738 |
stinken |
stinken:
sjtiŋkø (Q253p Montzen)
|
Stinken: een vieze reuk van zich geven (stinken, rieken, ruiken , muffen) [N 108 (2001)]
III-1-1
|
| 24565 |
stinkende gouwe |
schelkruid:
schelle kroet (Q253p Montzen),
wrattelenkruid:
vratellekroet (Q253p Montzen)
|
schelkruid [ZND 06 (1924)]
III-4-3
|
| 19708 |
stoel |
stoel:
št‧ōl (Q253p Montzen),
št‧ūl (Q253p Montzen)
|
stoel [ZND 07 (1924)]
III-2-1
|