e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
stiekem achterrugs: aatereuks (Montzen), heimlich (du.): héemlich (Montzen), ook materiaal znd 1u, 65  heemlech (Montzen) geniepig [ZND 01 (1922)] || Heimelijk, geniepig, enz. [ZND 01u (1924)] || heimelijk, stiekem, in het geniep [stilles] [N 07 (1961)] III-1-4
stiekem uit de ampullen drinken van de pullen keuren: van də pølə kōrə (Montzen) Stiekem uit de ampullen drinken [pölle köäre?]. [N 96B (1989)] III-3-3
stier stier: štēr (Montzen), štīr (Montzen) Mannelijk, niet gecastreerd rund. [JG 1a, 1b; A 4, 12; Gwn V, 1; L 7, 46; L 14, 14; L 20, 12; R 3, 38; S 35; Wi 14; monogr.; add. uit N 3A, 15] I-11
stijf van vingers en handen stijf: ṣtīf (Montzen) Stijf, van vingers en handen gezegd (scheef, krom, stram). [N 109 (2001)] III-1-2
stijfsel stijf: štif (Montzen), samen met znd 7, 48  št‧īf (Montzen) De pap waarmee men de zool en/of de rand afstijfselt. Alvorens men de zolen likt, smeert men ze in met stijfsel, waardoor een diepe glans ontstaat. [N 60, 121c] || de witte stof die gebruikt wordt om linnen stijf te maken (witte klontjes) [ZND 32 (1939)] II-10, III-2-1
stikken naaien: niǝnǝ (Montzen), twee stukken leer opeennaaien: twę̄j štøkǝ lę̄r obę̄niǝnǝ (Montzen), verstikken: vərṣtekə (Montzen) Het door middel van een draad aan elkaar bevestigen van twee stukken leer. Volgens de informanten wordt de term naaien gebezigd voor het vroegere handwerk (L 163a, Q 112a) en stikken voor het latere machinale werk (L 163a, Q 18 en Q 112a). [N 60, 54a; N 60, 239] || Stikken: sterven door ademgebrek (stikken, verstikken) [N 106 (2001)] II-10, III-1-2
stikmachine naaimachine: niǝnmašiŋ (Montzen) De machine waarmee men het stikwerk verricht. "Het stikken gebeurt tegenwoordig met uitzondering van het zware waterwerk, dat met de hand wordt gestikt, met een machine, in hoofdzaak van het zelfde model als de gewone naaimachine, alleen zwaarder gebouwd." (Directie, pag. 299). Een linkse-arm-machine duidt op het feit de de arm van de machine in dit geval links van de werkende persoon staat, hetgeen het werken zeer ten goede komt, omdat hierdoor hand noch oog gehinderd worden (zie Kn√∂fel I, pag. 258). [N 60, 63; N 60, 237] II-10
stinken stinken: sjtiŋkø (Montzen) Stinken: een vieze reuk van zich geven (stinken, rieken, ruiken , muffen) [N 108 (2001)] III-1-1
stinkende gouwe schelkruid: schelle kroet (Montzen), wrattelenkruid: vratellekroet (Montzen) schelkruid [ZND 06 (1924)] III-4-3
stoel stoel: št‧ōl (Montzen), št‧ūl (Montzen) stoel [ZND 07 (1924)] III-2-1