e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
strijklap pekleer: pęǝklę̄r (Montzen) Het stukje leer waarmee men de pek over de draad strijkt. Volgens de informant van L 163a vouwt men een stuk leer in de vorm van een w om de pek goed verspreid over de draad te kunnen krijgen. [N 60, 197d] II-10
strik strik: štrek (Montzen) De strik die ter versiering op sommige schoenen wordt aangebracht. [N 60, 35] II-10
strik [wld ii.10, p. 27] strik: štrek (Montzen) Andere versieringen? (strikken, pompons etc.)? [N 60 (1973)] III-1-3
stro struu: stryǝ (Montzen), štryǝ (Montzen) Halmen van gedorst koren. De algemene benaming. Zie ook de toelichting bij paragraaf 6.4. [JG 1a, 1b, 2c; L 7, 60a; R [s], 6; S 36; Wi 4; monogr.; add. uit N 5, 111], [JG 1a, 1b, 2c; L 7, 60a; R [s], 6; S 36; Wi 4; monogr.; add. uit N 5, 83] I-4
strohalm struu: štryi̯ǝ (Montzen) In dit lemma staan de opgaven bijeen die uitdrukkelijk op de gedroogde halm slaan en voor zover deze afwijken van het algemene woord voor halm in het vorige lemma. Zie de toelichting bij het vorige lemma. Zie echter vooral de lemma''s 6.1.24 - 6.1.27 over stro. [N P, 4b; L 25, 15; monogr.; add. uit JG 1a, 1b; S 12; Wi 13] I-4
stronk, boomstronk boomwortel: bōmwotǝl (Montzen), storkel: stø̜rkǝl (Montzen), stø̜rǝkǝl (Montzen), stronk: štroŋk (Montzen), vot: vot (Montzen) Wat blijft staan, de stomp met wortels, als een boom omgehakt is. [N 27, 8a; R 3, 2; Wi 11; L 7, 59; L B2, 343; Vld.; monogr.] I-8
stronk, stengel van koolplanten storkel: sjtörkele (Montzen) koolstengels die op het veld blijven staan [N Q (1966)] I-7
strontje war: war (Montzen), wel: weͅl (Montzen) gerstekorrel [ZND m], [ZND m] III-1-2
strontvlieg strontvlieg: štrōntvlēx (Montzen) strontvlieg: Kent u in uw dialect een woord om een soort van okergele vlieg aan te duiden die op uitwerpselen zit? [N100 (1997)] III-4-2
strooien strooien: strø̜i̯ǝ (Montzen) Hooi of stro onder het vee spreiden. [S 36; L 7, 61b; R(s] I-11