| 30890 |
strijklap |
pekleer:
pęǝklę̄r (Q253p Montzen)
|
Het stukje leer waarmee men de pek over de draad strijkt. Volgens de informant van L 163a vouwt men een stuk leer in de vorm van een w om de pek goed verspreid over de draad te kunnen krijgen. [N 60, 197d]
II-10
|
| 30930 |
strik |
strik:
štrek (Q253p Montzen)
|
De strik die ter versiering op sommige schoenen wordt aangebracht. [N 60, 35]
II-10
|
| 18492 |
strik [wld ii.10, p. 27] |
strik:
štrek (Q253p Montzen)
|
Andere versieringen? (strikken, pompons etc.)? [N 60 (1973)]
III-1-3
|
| 22085 |
stro |
struu:
stryǝ (Q253p Montzen),
štryǝ (Q253p Montzen)
|
Halmen van gedorst koren. De algemene benaming. Zie ook de toelichting bij paragraaf 6.4. [JG 1a, 1b, 2c; L 7, 60a; R [s], 6; S 36; Wi 4; monogr.; add. uit N 5, 111], [JG 1a, 1b, 2c; L 7, 60a; R [s], 6; S 36; Wi 4; monogr.; add. uit N 5, 83]
I-4
|
| 32988 |
strohalm |
struu:
štryi̯ǝ (Q253p Montzen)
|
In dit lemma staan de opgaven bijeen die uitdrukkelijk op de gedroogde halm slaan en voor zover deze afwijken van het algemene woord voor halm in het vorige lemma. Zie de toelichting bij het vorige lemma. Zie echter vooral de lemma''s 6.1.24 - 6.1.27 over stro. [N P, 4b; L 25, 15; monogr.; add. uit JG 1a, 1b; S 12; Wi 13]
I-4
|
| 33715 |
stronk, boomstronk |
boomwortel:
bōmwotǝl (Q253p Montzen),
storkel:
stø̜rkǝl (Q253p Montzen),
stø̜rǝkǝl (Q253p Montzen),
stronk:
štroŋk (Q253p Montzen),
vot:
vot (Q253p Montzen)
|
Wat blijft staan, de stomp met wortels, als een boom omgehakt is. [N 27, 8a; R 3, 2; Wi 11; L 7, 59; L B2, 343; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 33591 |
stronk, stengel van koolplanten |
storkel:
sjtörkele (Q253p Montzen)
|
koolstengels die op het veld blijven staan [N Q (1966)]
I-7
|
| 18106 |
strontje |
war:
war (Q253p Montzen),
wel:
weͅl (Q253p Montzen)
|
gerstekorrel [ZND m], [ZND m]
III-1-2
|
| 24384 |
strontvlieg |
strontvlieg:
štrōntvlēx (Q253p Montzen)
|
strontvlieg: Kent u in uw dialect een woord om een soort van okergele vlieg aan te duiden die op uitwerpselen zit? [N100 (1997)]
III-4-2
|
| 25574 |
strooien |
strooien:
strø̜i̯ǝ (Q253p Montzen)
|
Hooi of stro onder het vee spreiden. [S 36; L 7, 61b; R(s]
I-11
|