e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
strossen aaneenvlechten: enēfliǝtǝ (Montzen), vlechten: fliǝtǝ (Montzen) Het onzichtbaar aaneenhechten van twee lappen stof zonder naad ertussen door er steken overheen te naaien met de tafellakensteek of strossteek. Zie afb. 35. [N 59, 59; N 62, 15c] II-7
strowis wis: węs (Montzen) Klein busseltje lang stro, met name gebruikt om er een stroband van te maken. [S 36; monogr.] I-4
struik (alg.) struik: strüüch mv (Montzen), štrû.k (Montzen) struik [Heem 13.5-6 (1969)], [ZND m] III-4-3
struikelen rutschen (du.): rötsche (Montzen), uitrutschen (<du.): oetrötsjə (Montzen), ŭtrötsche (Montzen), ûtrötsche (Montzen) over een appelschil struikelen [ZND 07 (1924)] III-1-2
struma krop: krop (Montzen) Struma: gezwel aan de hals, als gevolg van vergroting van de schildklier (krop, struma, kropziekte). [N 107 (2001)] III-1-2
stuifmeel pollen: polęn (Montzen) Het eiwitten- en vettengedeelte van het bijenvoedsel. Het wordt door de haalbijen uit de mannelijke geslachtsceldragers van een plant gehaald. [N 63, 43a; Ge 37, 143] II-6
stuifmeelkrans pollencellen: polęnsɛlǝ (Montzen) De groep cellen op een raat waarin het stuifmeel wordt opgeslagen. [N 63, 46b] II-6
stuifzwam poefveest: povist (Montzen) wolfveest [ZND m] III-4-3
stuiken stuiken: rechtopstaand met de knikkers achterna of in een kuiltje schieten  stukke (Montzen) Over het knikkerspel: het knikkeren. [N R (1968)] III-3-2
stuipen begaafte: ən begoudə kriə (Montzen) stuipen: De stuipen hebben: een aanval van stuipen hebben (stuipen, stuiptrekken, begaovings, spinneweven). [N 107 (2001)] III-1-2