| 28988 |
strossen |
aaneenvlechten:
enēfliǝtǝ (Q253p Montzen),
vlechten:
fliǝtǝ (Q253p Montzen)
|
Het onzichtbaar aaneenhechten van twee lappen stof zonder naad ertussen door er steken overheen te naaien met de tafellakensteek of strossteek. Zie afb. 35. [N 59, 59; N 62, 15c]
II-7
|
| 33128 |
strowis |
wis:
węs (Q253p Montzen)
|
Klein busseltje lang stro, met name gebruikt om er een stroband van te maken. [S 36; monogr.]
I-4
|
| 24481 |
struik (alg.) |
struik:
strüüch mv (Q253p Montzen),
štrû.k (Q253p Montzen)
|
struik [Heem 13.5-6 (1969)], [ZND m]
III-4-3
|
| 17851 |
struikelen |
rutschen (du.):
rötsche (Q253p Montzen),
uitrutschen (<du.):
oetrötsjə (Q253p Montzen),
ŭtrötsche (Q253p Montzen),
ûtrötsche (Q253p Montzen)
|
over een appelschil struikelen [ZND 07 (1924)]
III-1-2
|
| 18072 |
struma |
krop:
krop (Q253p Montzen)
|
Struma: gezwel aan de hals, als gevolg van vergroting van de schildklier (krop, struma, kropziekte). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 24834 |
stuifmeel |
pollen:
polęn (Q253p Montzen)
|
Het eiwitten- en vettengedeelte van het bijenvoedsel. Het wordt door de haalbijen uit de mannelijke geslachtsceldragers van een plant gehaald. [N 63, 43a; Ge 37, 143]
II-6
|
| 28541 |
stuifmeelkrans |
pollencellen:
polęnsɛlǝ (Q253p Montzen)
|
De groep cellen op een raat waarin het stuifmeel wordt opgeslagen. [N 63, 46b]
II-6
|
| 24598 |
stuifzwam |
poefveest:
povist (Q253p Montzen)
|
wolfveest [ZND m]
III-4-3
|
| 22362 |
stuiken |
stuiken:
rechtopstaand met de knikkers achterna of in een kuiltje schieten
stukke (Q253p Montzen)
|
Over het knikkerspel: het knikkeren. [N R (1968)]
III-3-2
|
| 18061 |
stuipen |
begaafte:
ən begoudə kriə (Q253p Montzen)
|
stuipen: De stuipen hebben: een aanval van stuipen hebben (stuipen, stuiptrekken, begaovings, spinneweven). [N 107 (2001)]
III-1-2
|