| 20891 |
tabak |
baaitabak:
bajtabak (Q253p Montzen),
toebak:
dat is sjtrangə toebak (Q253p Montzen),
dat is sjtrangə tubak (Q253p Montzen),
šteͅ.rənə tubak (Q253p Montzen)
|
dat is sterke tabak [ZND 07 (1924)]
III-2-3
|
| 20616 |
tabak snuiven |
snuiven:
e.a. opgaven
snu‧v.ə (Q253p Montzen),
zich een snuifje krijgen:
schnüfke krie (Q253p Montzen),
sjnöfkə kriejə (Q253p Montzen)
|
snuifje nemen [ZND 07 (1924)] || tabak snuiven [ZND 07 (1924)]
III-2-3
|
| 23255 |
tabernakel |
tabernakel (<lat.):
et tabernākel (Q253p Montzen)
|
Het tabernakel, het rijkversierd kastje (op het hoofdaltaar of op het sacra-mentsaltaar), waarin het Allerheiligste bewaard wordt. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 30901 |
tack |
semence:
sǝmãs (Q253p Montzen)
|
Het kleine, puntige, kantige taaie spijkertje met betrekkelijk grote kop, dat onder andere gebruikt wordt om het bovenleer voorlopig op de zool vast te maken, totdat die met pekdraad geregen is. Tacks zijn er in diverse maten. Volgens de informant van K 353 zijn semences heel kleine, scherpe, vierkantige spijkertjes met of zonder kop. Tack is een Engelse benaming. Het meervoud tacks wordt door de schoenmaker wel eens als een enkelvoud ge√Ønterpreteerd. Vandaar dat er meervoudsvormen voorkomen als taksǝ en tksǝ. De tacks van verschillende lengten en ook wel andere spijkertjes zoals steekstiften, rivets en haknagels, worden in een speciale, draaibare tacksenbak bewaard. Deze komt men bij veel schoenmakers tegen. Zie afb. 15. [N 60, 202b; N 60, 202c; N 60, 101; N 60, 201a; N 60, 235; N 60, 235a]
II-10
|
| 19667 |
tafel |
dis:
de.š (Q253p Montzen),
deͅs (Q253p Montzen),
tafel:
tòfel (Q253p Montzen)
|
tafel [ZND m]
III-2-1
|
| 23711 |
tafelgebed |
disgebed:
ət d"jschgəbɛt (Q253p Montzen)
|
Het tafelgebed vóór en na het eten. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 28956 |
taillesuçon |
naad in gen taille:
nǭt e gǝn taj (Q253p Montzen)
|
Puntnaad om de taille te accentueren. Volgens de informant van Q 16 zit deze naad rechts en links onder elke boezem één, onder de armen naast de boezem en in de rug in de taille. [N 59, 94c]
II-7
|
| 28937 |
taillewijdte |
breedte in gen taille:
brejdǝ e gǝn taj (Q253p Montzen)
|
De maat gemeten horizontaal om het lichaam in de holte van de taille met (voor heren) twee vingers tussen het lichaam en de centimeter. Zie afb. 27. [N 59, 44c; N 62, 2b]
II-7
|
| 24494 |
tak (alg.) |
ast (du.):
as (Q253p Montzen),
kas:
kâs (Q253p Montzen),
twijg:
twîx (Q253p Montzen)
|
tak [ZND 06 (1924)]
III-4-3
|
| 33690 |
talud |
talud:
taly (Q253p Montzen)
|
De aflopende kant van een weg, dijk of sloot. Een aantal woordtypen duidt op een sloot of greppel naast de weg, terwijl gevraagd was naar de ø̄aflopende kant van een weg, dijk, of slootø̄. [N M, 27; N 11, 7a; N 11, 7b; monogr.]
I-8
|