e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
tabak baaitabak: bajtabak (Montzen), toebak: dat is sjtrangə toebak (Montzen), dat is sjtrangə tubak (Montzen), šteͅ.rənə tubak (Montzen) dat is sterke tabak [ZND 07 (1924)] III-2-3
tabak snuiven snuiven: e.a. opgaven  snu‧v.ə (Montzen), zich een snuifje krijgen: schnüfke krie (Montzen), sjnöfkə kriejə (Montzen) snuifje nemen [ZND 07 (1924)] || tabak snuiven [ZND 07 (1924)] III-2-3
tabernakel tabernakel (<lat.): et tabernākel (Montzen) Het tabernakel, het rijkversierd kastje (op het hoofdaltaar of op het sacra-mentsaltaar), waarin het Allerheiligste bewaard wordt. [N 96A (1989)] III-3-3
tack semence: sǝmãs (Montzen) Het kleine, puntige, kantige taaie spijkertje met betrekkelijk grote kop, dat onder andere gebruikt wordt om het bovenleer voorlopig op de zool vast te maken, totdat die met pekdraad geregen is. Tacks zijn er in diverse maten. Volgens de informant van K 353 zijn semences heel kleine, scherpe, vierkantige spijkertjes met of zonder kop. Tack is een Engelse benaming. Het meervoud tacks wordt door de schoenmaker wel eens als een enkelvoud ge√Ønterpreteerd. Vandaar dat er meervoudsvormen voorkomen als taksǝ en tksǝ. De tacks van verschillende lengten en ook wel andere spijkertjes zoals steekstiften, rivets en haknagels, worden in een speciale, draaibare tacksenbak bewaard. Deze komt men bij veel schoenmakers tegen. Zie afb. 15. [N 60, 202b; N 60, 202c; N 60, 101; N 60, 201a; N 60, 235; N 60, 235a] II-10
tafel dis: de.š (Montzen), deͅs (Montzen), tafel: tòfel (Montzen) tafel [ZND m] III-2-1
tafelgebed disgebed: ət d"jschgəbɛt (Montzen) Het tafelgebed vóór en na het eten. [N 96B (1989)] III-3-3
taillesuçon naad in gen taille: nǭt e gǝn taj (Montzen) Puntnaad om de taille te accentueren. Volgens de informant van Q 16 zit deze naad rechts en links onder elke boezem één, onder de armen naast de boezem en in de rug in de taille. [N 59, 94c] II-7
taillewijdte breedte in gen taille: brejdǝ e gǝn taj (Montzen) De maat gemeten horizontaal om het lichaam in de holte van de taille met (voor heren) twee vingers tussen het lichaam en de centimeter. Zie afb. 27. [N 59, 44c; N 62, 2b] II-7
tak (alg.) ast (du.): as (Montzen), kas: kâs (Montzen), twijg: twîx (Montzen) tak [ZND 06 (1924)] III-4-3
talud talud: taly (Montzen) De aflopende kant van een weg, dijk of sloot. Een aantal woordtypen duidt op een sloot of greppel naast de weg, terwijl gevraagd was naar de ø̄aflopende kant van een weg, dijk, of slootø̄. [N M, 27; N 11, 7a; N 11, 7b; monogr.] I-8