| 24055 |
ten volle bediend zijn |
bericht zijn:
bəriət ziə (Q253p Montzen)
|
Ten volle bediend zijn, d.w.z. gebiecht, de H. Communie en het H. Oliesel ontvangen hebben. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 20477 |
ter begrafenis gaan |
naar de dienst gaan:
nò dər dens guə (Q253p Montzen)
|
ter begrafenis gaan [N 96D (1989)]
III-2-2
|
| 24069 |
teraardebestelling |
begraving:
də bəgrāvoŋ (Q253p Montzen)
|
De teraardebestelling. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 30594 |
terpentijn |
terpentijn:
tɛrpǝnten (Q253p Montzen)
|
Vluchtige vloeistof, bestaande uit een mengsel van sterk onverzadigde koolwaterstoffen. Als grondstof voor de bereiding ervan dienen de harsen die men uit verschillende pijnbomen wint. Terpentijn wordt gebruikt als verdunningsmiddel voor verf en voor de bereiding van matverven. Aan glansverf en vernis wordt terpentijn toegevoegd om de verf te verschralen en daardoor zakken te voorkomen. [N 67, 17a; L 8, 5; monogr.]
II-9
|
| 18127 |
tetanus |
tetanus:
tetanos (Q253p Montzen)
|
Tetanus: ziekte waarbij een verstijving van de spieren optreedt, die begint bij de kauwspieren en zich dan uitspreidt over de rompspieren (klem, tetanus). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 21540 |
tien centiem |
krak:
krak (Q253p Montzen)
|
Bestaat er een dialectnaam voor een stuk van 10 centimes? [ZND m]
III-3-1
|
| 23726 |
tientje van de rozenkrans |
gesetz (du.):
ət gəzɛts (Q253p Montzen)
|
Een tientje van de Rozenkrans [n jezets?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23693 |
tijdelijke aflaat |
deelaflaat:
dər dēlablas (Q253p Montzen)
|
Een tijdelijke aflaat. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 27253 |
timmerman |
bouwschrijner:
bōwšrīnǝr (Q253p Montzen),
schrijner:
šrīnǝr (Q253p Montzen),
schrijnwerker:
šriwęrǝkǝr (Q253p Montzen)
|
Ambachtsman die het timmeren als beroep uitoefent. Tot zijn werkzaamheden behoren het vervaardigen van dakconstructies en balklagen in huizen en het maken van trappen, kozijnen, ramen en deuren. Als aanduiding voor de vakman wordt zowel de benaming timmerman als schrijn(en)werker gebruikt. Schrijnwerker is meer verspreid in Belgisch Limburg, schrijnenwerker in het zuiden van Nederlands Limburg. Wanneer er een onderscheid tussen timmerman en schrijn(en)werker wordt gemaakt, dan duidt de eerste term eerder een vakman aan die timmerwerk in de bouw verricht. Dit is onder meer het geval in Ottersum (L 163), Posterholt (L 387), Geulle (Q 18) en Bilzen (Q 83). De schrijnwerker richt zich dan vooral op het maken van trappen, deuren en ramen. Het woordtype schrijner, dat in het zuidoostelijke deel van het gebied gebruikelijk is, is een algemene benaming voor de timmerman. De vakman die timmerwerk op de bouw verricht, wordt daar ɛbouwschrijnerɛ genoemd.' [N 55, 164a; N 55, 165; RND 6; L 34, 19a; L B1, 115; monogr.]
II-12
|
| 19663 |
toilet |
huisje:
hyskə (Q253p Montzen)
|
gemak (w.c.) [ZND 12 (1926)]
III-2-1
|