| 18083 |
tuberculose |
tering:
tɛ̄rəŋ (Q253p Montzen)
|
Tuberculose: infectieziekte veroorzaakt door de tuberkelbacil die vrijwel alle organen kan aantasten, meestal echter de longen (tering, teer, tbc, teebee). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 19772 |
tuin |
gaarde:
gādə (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen),
g‧a͂də (Q253p Montzen),
koolhof:
koləf (Q253p Montzen),
kōləf (Q253p Montzen)
|
hof [ZND 01 (1922)], [ZND 04 (1924)]
III-2-1
|
| 33542 |
tuinkervel |
kervel:
kervel (Q253p Montzen)
|
kervel [ZND 01 (1922)]
I-7
|
| 33615 |
tuinman, boomkweker |
griffelaar:
JK Begrip te splitsen? veel samenstellingen met boom- uit RND zijn geconstrueerd; de andere hebben de ruimere betekenis van tuinman.
grifələr (Q253p Montzen)
|
[RND 08]
I-7
|
| 28940 |
tussenbeenlengte - bij broeken |
schrede:
šret (Q253p Montzen)
|
Maat genomen van het kruis tot de grond. Zie afb. 29. [N 59, 47b]
II-7
|
| 30998 |
tussenzool |
tussenzool:
tøšǝzǭl (Q253p Montzen)
|
Een dunne zool die van binnen in de schoen gewerkt is en die tussen de eigenlijke zool en de binnenzool ligt. [N 60, 171a]
II-10
|
| 18471 |
tussenzool [wld ii.10, p. 40] |
tussenzool:
tøšəzōl (Q253p Montzen)
|
Een dunne zool die van binnen in de schoen gewerkt is en tussen de eigenlijke zool en de binnenzool ligt? (tussenzool?) Vgl. tek. 88. [N 60 (1973)]
III-1-3
|
| 28517 |
tuten |
tuten:
tuten (Q253p Montzen)
|
Het geluid dat de koningin maakt die haar cel reeds verlaten heeft. Op het doffe kwaken van de ongeboren koninginnen antwoordt de pas uitgelopen koningin met een hoog tutend geluid. Dit is het teken dat zij er is. Zij zal proberen zo spoedig mogelijk de nog in de cellen opgesloten koninginnelarven te doden. Dit wordt echter verhinderd door de werkbijen. Het tuten is voor de imker een zeker teken dat er de volgende dag of op zijn laatst nog een dag later een nazwerm zal afkomen. [N 63, 33a; N 63, 32a; N 63, 33b; Ge 37, 42]
II-6
|
| 28518 |
tuter |
tuter:
tȳtǝr (Q253p Montzen)
|
Koningin die pas de moercel verlaten heeft en tutend antwoordt op het gekwaak van de koninginnelarven die nog in de dichte moercel zitten. [N 63, 33b; N 63, 32a]
II-6
|
| 23251 |
tweede luiden voor de mis |
schellen:
sjɛlə (Q253p Montzen)
|
Het tweede luiden vóór de hoogmis [tezamen luiden, tsezame loeë]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|