e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
tweede pas tweede keer passen: twędǝ kiǝr pāsǝ (Montzen), tweede pas: twędǝ pās (Montzen) [N 59, 76b] II-7
tweeling tweeling: twēleŋ (Montzen), zwillinge (du.): zwélenge (Montzen) tweeling [ZND 08 (1925)], [ZND 11 (1925)] III-2-2
twijnen het hanf rollen: ǝt hanǝf rolǝ (Montzen) Het in elkaar draaien van hennepvezels tot een draad. [N 60, 197a] II-10
ui, ajuin unne: øͅnə (Montzen) ajuin [ZND 01 (1922)] I-7
uier uier: yr (Montzen), ȳr (Montzen) De melkklier van de koe zoals zij zich uitwendig vertoont onder aan de buik. Op de kaart is het woordtype uier niet opgenomen. [JG 1a, 1b; Gwn V, 7; L 8, 24a; L 14, 27a; RND 127; S 38; Wi 51; monogr.] I-11
uil uil: ü:l (Montzen), uilk: ül(ek) (Montzen) uil [ZND m] III-4-1
uitdraaien, oprekken op een leest spannen: op ǝnǝ lę̄s španǝ (Montzen) Het rekken van een schoen in de breedte en/of de lengte met behulp van een uitdraaileest of oprekleest of oprekmachine. [N 60, 245a; N 60, 245b] II-10
uitdraaileest, oprekleest spanleest: španlę̄s (Montzen) Het apparaat dat men gebruikt voor het uitdraaien of oprekken van schoenen. De spanleest beschrijft de informant van Q 253 als een rechte leest, overlangs in twee√´n gezaagd en met een scharnier aan de hiel. Beide delen kunnen uit elkaar geduwd worden door een schroef die men ertussin draait. [N 60, 244c] II-10
uitglijden schampen: ša.mpə (Montzen) uitglijden [ZND m] III-1-2
uitkomen van het broed uitbreken: utbrɛǝkǝ (Montzen) Het uit de cellen komen van het rijpe broed. Als het broed rijp is, breekt het uit het stadium van pop. De bij wordt geboren als werkbij, koningin of dar. De werkbij komt na 21 dagen, de koningin na 15 à 16 dagen en de dar na 24 dagen te voorschijn. Soms kan er een kleine speling zijn in deze aantallen. De werkbij knaagt bij stukjes en beetjes het celdekseltje weg, de dar scheurt het zegel met de kaken geheel af en de koninginnepop stoot met één kopbeweging de cel, die eerst is rondgesneden, open. [N 63, 23c; Ge 37, 47] II-6