| 31087 |
uitleesten |
de leest uittrekken:
dǝr lę̄s uttrekǝ (Q253p Montzen),
de schoen van gen leest doen:
dǝr šōn va gǝnǝ lę̄s duǝ (Q253p Montzen)
|
Het, eventueel met behulp van een leesthaak, uit de schoen trekken van de leest. [N 60, 141b]
II-10
|
| 21391 |
uitleggen |
(zoom) uitlaten:
ūtlǭtǝ (Q253p Montzen)
|
Een kledingstuk langer of ruimer maken door onderaan een zoom uit te leggen. [N 59, 191; N 62, 23b; MW]
II-7
|
| 22773 |
uitmaken wie mag beginnen |
kavelen:
vər zølən əd øštə kaavele (Q253p Montzen)
|
Hoe zeggen de kinderen, wanneer ze eerst willen zien wie mag beginnen, b.v. bij het knikkerspel? Vertaal dus en vul aan: We zullen eerst ... [ZND 26 (1937)]
III-3-2
|
| 31064 |
uitpoetsinkt |
was:
wās (Q253p Montzen)
|
Leersmeersel dat in recentere tijd het zwartsel is gaan vervangen. De woordtypen wasinkt en was wijzen erop dat de uitpoetsinkt in deze gevallen op een basis van was berust. [N 60, 132b; N 60, 132a]
II-10
|
| 31144 |
uitpoetsmachine |
poetsmachine:
putsmašiŋ (Q253p Montzen)
|
De machine waarmee men poetst. Meestal is deze gecombineerd met de schuur- en schrooimachine. De informant van Q 253 geeft de volgende beschrijving van een poetsmachine: "De machine bestaat uit een geraamte met een elektrisch aangedreven as van ongeveer 1,50 m lengte met een stel borstels en daarachter en daaronder stofafzuigkappen. Op de as zijn, om de zowat 15 cm, verschillende rollen gemonteerd. Meestal gaat het om een stalen borstel, een of meerdere schuurrollen, een rol bestaande uit op elkaar geperste leerschijven, een gewone borstel, een rol van op elkaar geperste schijven uit doek. Op ieder uiteinde van de as is er telkens een frees om de randen van de schoen te effenen." Zie ook het lemma gecombineerde machine. [N 60, 243a]
II-10
|
| 31068 |
uitpoetswas |
was:
wās (Q253p Montzen)
|
De zwarte, bruine of gele was waarmee men de hakken en zijkanten van zolen inwrijft. Het is het laatste werk dat een schoenmaker aan de schoenen te doen heeft: het uitpoetsen van het onderwerk. [N 60, 134a]
II-10
|
| 21445 |
uitschelden |
schelden:
šēͅlə (Q253p Montzen),
uitschelden:
ûtsēle (Q253p Montzen),
ûtsule (Q253p Montzen)
|
Op iem. schelden, iem. uitschelden. Geef de gemeenzame uitdrukkingen op en zet tussen twee haakjes welke als "gemeen"of "plat"beschouwd worden. [ZND 34 (1940)], [ZND 34 (1940)]
III-3-1
|
| 18108 |
uitslag onder de neus |
zweren:
Wordt omschreven.
ẓwɛ̄rə ondər gən nās (Q253p Montzen)
|
Uitslag, zweren onder de neus (futsel, logistgast, uitslag, zweren). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 22343 |
uitsliepen |
uitkitsen:
oetkietse (Q253p Montzen),
[vgl. G. Naert (1985), pag. 12 sub uitjitsen].
enge oetkitsen (Q253p Montzen),
engen oetkietsen (Q253p Montzen),
oetkietsə (Q253p Montzen),
ûtkĭtse (Q253p Montzen)
|
Iemand uitslijpen (uitlachen door met de twee wijsvingers over elkaar te wrijven; wat wordt daarbij gezegd?) [ZND 06 (1924)] || uitsliepen [sliep oet doon] [N 07 (1961)]
III-3-2
|
| 23660 |
uitstalling van het allerheiligste |
uitstelling van het allerheiligste:
də utschtĕloŋ van ət alərhēlechstə (Q253p Montzen)
|
Uitstalling, uitstelling van het Allerheiligste [oessjtellóng van t allerhillieg-ste?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|