e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
uitstallingstroon monstranstroon: der monstrānstroeën (Montzen) De troon, de ruimte of plek boven het tabernakel waar het Allerheiligste wordt uitgesteld. [N 96A (1989)] III-3-3
uitwerpselen van de bij bijenkeutel: bejǝkøtǝl (Montzen) Ontlasting van de bij. Vooral bekend is de in de winter opgespaarde ontlasting die via de reinigingsvlucht geloosd wordt. Wanneer de bij in uitzonderlijke gevallen de bijwoning bevuilt, noemt men dit roer. [N 63, 56b] II-6
uitwerpselen van koeien flat: fla.t (Montzen), knospelen (mv): knospǝlǝ (Montzen), koeflat: kōflat (Montzen) [N M, 8a; A 9, 24a; JG 1a, 1b; N 11A, 40a; monogr.; add. uit N 5A (I] I-11
ursuline ursuline: ən ürsülin (Montzen) Een Ursulin [Ursulien]. [N 96D (1989)] III-3-3
vaars vaars: vē̜š (Montzen), vē̜ǝs (Montzen) Jonge koe van ongeveer twee jaar die nog geen kalf heeft gehad of voor de eerste maal kalft. [JG 1a, 1b; A 2, 38; A 4, 11; Gwn V, 6; L 8, 27; L 20, 11; R 3, 37; S 38 en 49; Wi 16; monogr.; add. uit N 3A, 20] I-11
vaatdoek schotelplag: šotəlplak (Montzen, ... ) vaatdoek [ZND m] || zo vet als een vaatdoek (schoteldoek) [ZND 08 (1925)] III-2-1
vadem, maat van uitgestrekte armen vadem: vām (Montzen) vadem [ZND m] III-4-4
vademen (de/een) naald(e) invamen: ǝn nǫlt ē̜vē̜mǝ (Montzen), (de/een) naald(e) vamen: dǝ nø̜lt vē̜mǝ (Montzen), invamen: ęvē̜mǝ (Montzen), vamen: vē̜mǝ (Montzen) Een draad door het oog van een naald halen. In dit lemma zijn de objecten draad, garen, draad garen, vaam, vaam garen niet gedocumenteerd. [N 59, 68; N 62, 10; L 8, 29; L B1, 76; MW; monogr.] II-7
vader vader: vadər (Montzen) vader; hij aardt naar zijn vader [ZND 19 (1936)] III-2-2
vagevuur vagevuur: ət vɛɛgəvüür (Montzen) Het vagevuur [vèègvuur, veëjevuur]. [N 96D (1989)] III-3-3