| 23424 |
uitstallingstroon |
monstranstroon:
der monstrānstroeën (Q253p Montzen)
|
De troon, de ruimte of plek boven het tabernakel waar het Allerheiligste wordt uitgesteld. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 28560 |
uitwerpselen van de bij |
bijenkeutel:
bejǝkøtǝl (Q253p Montzen)
|
Ontlasting van de bij. Vooral bekend is de in de winter opgespaarde ontlasting die via de reinigingsvlucht geloosd wordt. Wanneer de bij in uitzonderlijke gevallen de bijwoning bevuilt, noemt men dit roer. [N 63, 56b]
II-6
|
| 34144 |
uitwerpselen van koeien |
flat:
fla.t (Q253p Montzen),
knospelen (mv):
knospǝlǝ (Q253p Montzen),
koeflat:
kōflat (Q253p Montzen)
|
[N M, 8a; A 9, 24a; JG 1a, 1b; N 11A, 40a; monogr.; add. uit N 5A (I]
I-11
|
| 24090 |
ursuline |
ursuline:
ən ürsülin (Q253p Montzen)
|
Een Ursulin [Ursulien]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 34061 |
vaars |
vaars:
vē̜š (Q253p Montzen),
vē̜ǝs (Q253p Montzen)
|
Jonge koe van ongeveer twee jaar die nog geen kalf heeft gehad of voor de eerste maal kalft. [JG 1a, 1b; A 2, 38; A 4, 11; Gwn V, 6; L 8, 27; L 20, 11; R 3, 37; S 38 en 49; Wi 16; monogr.; add. uit N 3A, 20]
I-11
|
| 19492 |
vaatdoek |
schotelplag:
šotəlplak (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen,
Q253p Montzen)
|
vaatdoek [ZND m] || zo vet als een vaatdoek (schoteldoek) [ZND 08 (1925)]
III-2-1
|
| 25283 |
vadem, maat van uitgestrekte armen |
vadem:
vām (Q253p Montzen)
|
vadem [ZND m]
III-4-4
|
| 28963 |
vademen |
(de/een) naald(e) invamen:
ǝn nǫlt ē̜vē̜mǝ (Q253p Montzen),
(de/een) naald(e) vamen:
dǝ nø̜lt vē̜mǝ (Q253p Montzen),
invamen:
ęvē̜mǝ (Q253p Montzen),
vamen:
vē̜mǝ (Q253p Montzen)
|
Een draad door het oog van een naald halen. In dit lemma zijn de objecten draad, garen, draad garen, vaam, vaam garen niet gedocumenteerd. [N 59, 68; N 62, 10; L 8, 29; L B1, 76; MW; monogr.]
II-7
|
| 20330 |
vader |
vader:
vadər (Q253p Montzen)
|
vader; hij aardt naar zijn vader [ZND 19 (1936)]
III-2-2
|
| 23330 |
vagevuur |
vagevuur:
ət vɛɛgəvüür (Q253p Montzen)
|
Het vagevuur [vèègvuur, veëjevuur]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|