| 33393 |
varkenstrog |
trog:
trǭ.x (Q253p Montzen)
|
De vaste voerbak in een varkenshok voor het vloeibare voedsel. [N 5A, 60d; A 4, 4d; L 8, 19; L 20, 4d]
I-6
|
| 20646 |
varkensvet |
schmalz (du.):
schmals (Q253p Montzen),
varkensvet:
vêrkensfĕt (Q253p Montzen),
verenvet:
vèrəvèt (Q253p Montzen)
|
reuzel (gesmolten varkensvet; fr. saindoux) [ZND 06 (1924)]
III-2-3
|
| 28578 |
varroa |
varroa:
vrowa (Q253p Montzen)
|
Verschijnsel dat wordt veroorzaakt door een parasiet, de varroamijt. Deze mijt zuigt bloed van larven en volwassen bijen. Door dit bloedzuigen wordt de aanwas van een volk ernstig verstoord. [N 63, 71b; N 63, 71d]
II-6
|
| 23579 |
vaste misgezangen |
onveranderlijke misgezangen:
də onvərɛndəlege mēsgəzɛŋ (Q253p Montzen)
|
De vaste misgezangen [Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus, Agnus Dei]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 34272 |
vaste uitwerpselen |
drek:
drɛk (Q253p Montzen),
kak:
kak (Q253p Montzen),
stront:
stro.nt (Q253p Montzen)
|
Vaste uitwerpselen van vee. [JG 1a, 1b; A 9, 24e; A 9, 28c; monogr.]
I-11
|
| 33363 |
vaste voer- en drinkbak |
krib:
kri.p (Q253p Montzen)
|
De opgemetselde bak of goot, soms in vakken verdeeld, die vóór de koeien langs loopt, waaruit de koeien eten en drinken. De hoogte van de bak verschilt van plaats tot plaats. Het water wordt het laatst in de bak gedaan. De bak is dan meteen schoon. Zie ook het vorige lemma "voer- en drinkgoot" (2.2.14). Zie ook afbeelding 10 bij het lemma "koeienstand" (2.2.23). [N 5A, 37b; N 4, 76; N 5, 96; L 1, a-m; L A1, 174; S 19; Wi 4; monogr.; add. uit N 5A, 37a; A 10, 10]
I-6
|
| 23938 |
vasten |
vasten:
vāstə (Q253p Montzen)
|
Het zich geheel of gedeeltelijk onthouden van eten; in het bijzonder: slechts eenmaal per dag een volle maaltijd gebruiken, vasten [vaste, va.ste]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 22648 |
vastenavond |
vastavond:
fastoâvent (Q253p Montzen),
fastòavent (Q253p Montzen),
vasjtoəvənt (Q253p Montzen),
vasjtu.avənt (Q253p Montzen)
|
De zondag vóór Aswoensdag, vastenavond [vasteloaëved]. [N 96C (1989)] || t Is Vastenavond. [ZND 08 (1925)] || vastenavond [RND]
III-3-2
|
| 23332 |
vastendag |
vastendag:
ənə vāstədāX (Q253p Montzen)
|
Een vastendag [vassendag, vasseldag]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23783 |
vastenpreek |
vastenpredik:
vāstəprɛ̄dəch (Q253p Montzen)
|
De vastenpreek tijdens het lof op de zondagen van de vasten. [N 96C (1989)]
III-3-3
|