| 34244 |
vel op gekookte melk |
lies:
lis (Q253p Montzen),
roomvelletje:
rōmvɛlšǝ (Q253p Montzen),
vel:
vɛ̄l (Q253p Montzen)
|
Het vlies dat ontstaat bij afkoeling van gekookte melk. [N 6, 16; L 6, 16; L 14, 23; A 39, 7b]
I-11
|
| 20943 |
vel op melk |
lies:
ook mat. van ZND 14, vr. 23
lies (Q253p Montzen),
roomvelletje:
ook mat. van ZND 14, vr. 23
roomvelsche (Q253p Montzen),
vel:
ook mat. van ZND 14, vr. 23
vēl (Q253p Montzen)
|
velletje op melk [ZND 06 (1924)]
III-2-3
|
| 24919 |
veld, open land |
veld:
vēͅ.lt (Q253p Montzen)
|
veld
III-4-4
|
| 33281 |
veldbonen |
labbonen:
lab[bonen] (Q253p Montzen),
prinsessebonen:
prensɛsǝ[bonen] (Q253p Montzen),
snijbonen:
šnī[bonen] (Q253p Montzen),
stekkenbonen:
štɛkǝ[bonen] (Q253p Montzen),
struikbonen:
štrȳk[bonen] (Q253p Montzen)
|
Phaseolus L. Gevraagd is naar bonen die op de akker worden geteeld, maar in de antwoorden zijn ook bonensoorten te vinden die zeker in de moestuin thuishoren zoals tuinbonen (Vicia faba L.). Zodoende bestaat dit lemma eerder uit een opsomming van de namen van bonensoorten die men zoal kent, dan uit een strikt onomasiologisch artikel. Opmerkingen van zegslieden: bij duivebonen: "klein soort tuinbonen"; bij soepbonen: "voor de winterdag"; bij kniebonen: "soort paardeboon"; bij aardmannetjes: "soort struikbonen"; bij zoete bonen: "voor het vee"; bij bittere bonen: "voor de mest"; bij wollen wantjes: "ze worden tesamen met peultjes gegeten". Voor de fonetische documentatie van het woorddeel (-bonen) zie het tweede deel van het lemma Boon, Algemeen. [N P, 23a en 23b; monogr.]
I-5
|
| 23494 |
veldkruis |
kruis aan de weg:
et kruts (a gene wēX) (Q253p Montzen)
|
Een kruisbeeld in het veld, langs de openbare weg opgericht [veldkruis, devotiekruis?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 24264 |
veldleeuwerik, leeuwerik |
leeuwer:
lower (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen),
lerche:
lerch (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen)
|
leeuwerik [ZND 01 (1922)], [ZND m], [ZND m]
III-4-1
|
| 23547 |
velum |
velum (lat.):
dər vēlum (Q253p Montzen)
|
Het velum [veeloem?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 30317 |
vensterbank |
vensterbank:
vęnstǝrbaŋk (Q253p Montzen)
|
Min of meer breed houten of stenen dekstuk aan de binnenzijde van een raam op hoogte van de onderdorpel. Zie ook afb. 57b. Een stenen vensterbank werd in P 48 van 'arduin' ('ardø̜̄n'), in K 314 van 'arduinsteen' ('ardoanstiǝn'), in L 366 van naamse steen en in K 317 van 'marmer' ('męlǝbǝr') vervaardigd. [N 55, 44b; S 39; L 8, 37b; L 31, 12b; L B1, 168; A 46, 10c; monogr.]
II-9
|
| 30332 |
vensterluiken |
slagen:
šlē̜x (Q253p Montzen
[(enkelvoud: šlax)]
),
vensterslagen:
vęnstǝršlē̜x (Q253p Montzen)
|
Zie kaarten. De houten panelen die draaiend aan de buitenkant van het huis aan beide zijden van het raam zijn aangebracht. Er bestaan ook losse vensterluiken die 's avonds voor het raam worden geplaatst en 's morgens weer verwijderd worden. Zie voor het woordtype 'vensters' ook Van Keirsbilck I pag. 466 s.v. 'venster': ø̄Ook dikwijls gebruikt in den zin van een beweeglijk luik vóór een venster, aan den buitenkant.ø̄ [N 55, 65a; A 23, 18a; A 46, 11a; L 1 a-m; L 32, 75b; L 1u, 17; L B1, 155; L A2, 409; rnd 49 add.; monogr.; Vld.]
II-9
|
| 17914 |
verbergen |
verbergen:
verbèrge (Q253p Montzen),
vərbeͅ.r.əgə (Q253p Montzen),
vərbeͅrgə (Q253p Montzen),
versteken:
verstèâke (Q253p Montzen),
verstommelen:
verstumele (Q253p Montzen)
|
verbergen [ZND m], [ZND m]
III-1-2
|