| 22434 |
versieren (met bloemen) |
sieren:
sērə (Q253p Montzen)
|
Het versieren van de straten op de dag(en) vóór de processie [tsere]. [N 96C (1989)]
III-3-2
|
| 18226 |
versleten |
versleten:
vəršleͅ.ətə (Q253p Montzen)
|
verslijten, versleet, versleten (volt.deelw.) [ZND 25 (1937)]
III-1-3
|
| 28430 |
verstevigingsspijlen |
pennen:
(enk)
pɛ̄n (Q253p Montzen)
|
Spijlen die door de korf worden gestoken ter versteviging en ondersteuning van de ratenbouw. Enkele stroringen onder de kop steekt de imker een stuk of drie spijlen loodrecht op de kopspijlen en een stuk lager weer een drietal, terwijl enkele ringen boven de onderkant nog eens een paar spijlen komen. De spijlen zijn doorgaans van sporkehout of de vuilboom gemaakt maar er zijn er ook van wilge-, esse-, populiere-, beuke- en notehout. [N 63, 6b; N 63, 5e; N 63, 6c; Ge 37,14]
II-6
|
| 22349 |
verstoppertje spelen |
koekepiep spelen:
koekepiep sjpele (Q253p Montzen),
koekepiep späle (Q253p Montzen),
koekepîp schpèle (Q253p Montzen),
versteken spelen:
verstäke späle (Q253p Montzen)
|
Schuilevinkje spelen (verbergspel). [ZND 06 (1924)], [ZND m]
III-3-2
|
| 18140 |
verstuiken |
verstuiken:
ferschtukt (Q253p Montzen)
|
ik heb mijn voet verstuikt [ZND 08 (1925)]
III-1-2
|
| 28666 |
versuikeren |
kristalliseren:
kristalliseren (Q253p Montzen),
versuikeren:
versuikeren (Q253p Montzen)
|
Hard worden van de honing of het kristalliseren van honing: het overgaan van vloeibare vorm naar vaste. Dan is hij versuikerd. Voor de consumptie is versuikerde of gekristalliseerde honing niet minder geschikt dan de vloeibare. Hieruit blijkt dat de honing niet is verhit. [N 63, 118; Ge 37, 182; monogr.]
II-6
|
| 28523 |
vervliegen |
vervliegen:
vǝrvlēgǝ (Q253p Montzen)
|
In een verkeerde korf of kast vliegen. Door verschillende factoren kunnen zowel de koningin als de werksters als de darren naar de verkeerde korf of kast vliegen. [N 63, 36b]
II-6
|
| 24497 |
verwelken |
welken:
weleke (Q253p Montzen)
|
verwelken [ZND m]
III-4-3
|
| 24555 |
verwelkt |
gelps:
vt dlw/adj: verwelkt
gelps (Q253p Montzen),
verplakt:
verplekt (Q253p Montzen)
|
verwelken [ZND m]
III-4-3
|
| 20304 |
verwend kindje |
verdorven kind:
verdörəvə kingk (Q253p Montzen),
vertutteld kindje:
vertötelt k’ĕnsche (Q253p Montzen)
|
bedorven kindje; het is een - - [ZND 05 (1924)]
III-2-2
|