| 24057 |
viaticum |
viatique (fr.):
Van Dale (FN): viatique, 1. reispenning, reisgeld, teerspijs (ook rel.).
dər viatik (Q253p Montzen)
|
De H. Communie als teerspijs voor een stervende, viaticum. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 34535 |
vierdeel eieren |
vierdeel:
vidǝl (Q253p Montzen),
viǝ.dǝl (Q253p Montzen)
|
Een vierdeel eieren is volgens het WNT vooral een maat voor granen. Wat een vierdeel eieren inhoudt, is moeilijk na te gaan. De Diksjenaer van ''t Mestreechs zegt dat een viedel eieren een vierendeel van honderd plus één is, dus 26. Heel waarschijnlijk gaat het dus om een vierde deel van honderd.' [L 8, 44; monogr.]
I-12
|
| 22832 |
vieren |
vieren:
gəvi.ət (Q253p Montzen),
vīēre (Q253p Montzen)
|
Feesten. [ZND m] || gevierd [RND]
III-3-2
|
| 20574 |
vieruursboterham |
caf, de -:
kafé (Q253p Montzen),
kà‧f.e (Q253p Montzen),
caf-drinken, het -:
kafee dringkə (Q253p Montzen),
kaffe drenke (Q253p Montzen),
cafs-tijd:
kafeestīēt (Q253p Montzen),
namiddags-caf, de -:
nomendagskaffé (Q253p Montzen),
noméddags kaffe (Q253p Montzen),
vieruren, de -:
vér ūre (Q253p Montzen),
vieruren-caf, de -:
də veer oerə k-afee (Q253p Montzen)
|
de maaltijd die gewoonlijk rond vier uur in de namiddag gebruikt wordt, het vieruurtje [ZND 06 (1924)] || de maaltijd met brood rond 4 uur [N 07 (1961)] || namen en uren van de dagelijkse maaltijden: 16 uur 15 [ZND 18G (1935)]
III-2-3
|
| 23762 |
vigilie |
vigilie (<lat.):
de vizjil (Q253p Montzen)
|
De avond vóór een kerkelijke feestdag [vigilie, heiligavond]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 23739 |
vijf wonden van christus |
vijf wonden:
də vōf wondə (Q253p Montzen)
|
De vijf wonden, de kruiswonden van Christus [de vunnef wónde?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 21538 |
vijfentwintig centiem |
kastenmannetje:
munt van 25 cm
kâstemènse (Q253p Montzen)
|
Bestaat er een dialectnaam voor een stuk van 25 centimes? [ZND 28 (1938)]
III-3-1
|
| 24961 |
vijver |
poel:
pōl (Q253p Montzen),
wijer:
wejǝr (Q253p Montzen),
węjǝr (Q253p Montzen)
|
Kleine, natuurlijke of (meest) gegraven, vaak omsloten waterplas. Vroeger groef men vaak vijvers om er vis in te houden. Tegenwoordig is de vijver vaak een deel van een park- of tuinaanleg. [R 7, 18; S 40; A 20, 1e; L 8, 47; monogr.]
I-8
|
| 30805 |
vilsnee |
snit:
šnet (Q253p Montzen)
|
Een fout in het leer, ontstaan als men bij het villen in de huid sneed. [N 60, 7a; N 37, 7]
II-10
|
| 17825 |
vinden |
vinden:
véŋə (Q253p Montzen)
|
vinden [ZND m]
III-1-2
|