e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
viaticum viatique (fr.): Van Dale (FN): viatique, 1. reispenning, reisgeld, teerspijs (ook rel.).  dər viatik (Montzen) De H. Communie als teerspijs voor een stervende, viaticum. [N 96D (1989)] III-3-3
vierdeel eieren vierdeel: vidǝl (Montzen), viǝ.dǝl (Montzen) Een vierdeel eieren is volgens het WNT vooral een maat voor granen. Wat een vierdeel eieren inhoudt, is moeilijk na te gaan. De Diksjenaer van ''t Mestreechs zegt dat een viedel eieren een vierendeel van honderd plus één is, dus 26. Heel waarschijnlijk gaat het dus om een vierde deel van honderd.' [L 8, 44; monogr.] I-12
vieren vieren: gəvi.ət (Montzen), vīēre (Montzen) Feesten. [ZND m] || gevierd [RND] III-3-2
vieruursboterham caf, de -: kafé (Montzen), kà‧f.e (Montzen), caf-drinken, het -: kafee dringkə (Montzen), kaffe drenke (Montzen), cafs-tijd: kafeestīēt (Montzen), namiddags-caf, de -: nomendagskaffé (Montzen), noméddags kaffe (Montzen), vieruren, de -: vér ūre (Montzen), vieruren-caf, de -: də veer oerə k-afee (Montzen) de maaltijd die gewoonlijk rond vier uur in de namiddag gebruikt wordt, het vieruurtje [ZND 06 (1924)] || de maaltijd met brood rond 4 uur [N 07 (1961)] || namen en uren van de dagelijkse maaltijden: 16 uur 15 [ZND 18G (1935)] III-2-3
vigilie vigilie (<lat.): de vizjil (Montzen) De avond vóór een kerkelijke feestdag [vigilie, heiligavond]. [N 96C (1989)] III-3-3
vijf wonden van christus vijf wonden: də vōf wondə (Montzen) De vijf wonden, de kruiswonden van Christus [de vunnef wónde?]. [N 96B (1989)] III-3-3
vijfentwintig centiem kastenmannetje: munt van 25 cm  kâstemènse (Montzen) Bestaat er een dialectnaam voor een stuk van 25 centimes? [ZND 28 (1938)] III-3-1
vijver poel: pōl (Montzen), wijer: wejǝr (Montzen), węjǝr (Montzen) Kleine, natuurlijke of (meest) gegraven, vaak omsloten waterplas. Vroeger groef men vaak vijvers om er vis in te houden. Tegenwoordig is de vijver vaak een deel van een park- of tuinaanleg. [R 7, 18; S 40; A 20, 1e; L 8, 47; monogr.] I-8
vilsnee snit: šnet (Montzen) Een fout in het leer, ontstaan als men bij het villen in de huid sneed. [N 60, 7a; N 37, 7] II-10
vinden vinden: véŋə (Montzen) vinden [ZND m] III-1-2