| 24457 |
vleermuis |
blaarmuis:
blarmus (Q253p Montzen)
|
vleermuis [ZND 08 (1925)]
III-4-2
|
| 20944 |
vlees |
vlees:
fleeisch (Q253p Montzen),
vleesj (Q253p Montzen),
vlés (Q253p Montzen)
|
vleesch [ZND 07 (1924)]
III-2-3
|
| 25446 |
vlees conserveren |
zouten:
zõ̜.tǝ (Q253p Montzen),
zō.jtǝ (Q253p Montzen)
|
Meestal gebeurt dit conserveren door het vlees te zouten, te drogen of te roken, waardoor het vocht uit het vlees trekt. Moderner is de methode om het vlees in te vriezen. De respondent van L 413 vermeldt dat het vlees even wordt rondgedraaid in hete azijn. [N 28, 100; L 8, 128b; monogr.]
II-1
|
| 23942 |
vlees derven |
geen vlees eten:
gē vlējsj ɛətə (Q253p Montzen)
|
Zich onthouden van vlees e.d., zich vlees e.d. ontzeggen. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 30802 |
vleeskant |
binnenkant:
bęnǝkant (Q253p Montzen),
vleeszijde:
vlejzi-j (Q253p Montzen)
|
De kant van de huid waar de haren van het dier niet gezeten hebben, de vleeskant. [N 60, 3b; N 60, 3c; N 36, 2b]
II-10
|
| 28829 |
vleug |
draad:
drǭt (Q253p Montzen)
|
De richting waarin vezels of draden van een weefsel liggen. [N 59, 40a; N 62, 72; MW]
II-7
|
| 30920 |
vleugels |
zijden van het voorste:
zi-jǝ van ǝt vø̜ǝštǝ (Q253p Montzen)
|
De vleugelvormige gedeelten van het voorblad. De voorst, het voorste deel van het boventuig, loopt om het vetergat heen met twee vleugels, die, grenzend aan de zool, tot in het hol reiken (Liedmeier, pag. 27). [N 60, 23b]
II-10
|
| 18502 |
vleugels [wld ii.10, p. 25] |
zijden van het voorste:
də zijə van ət vøəštə (Q253p Montzen)
|
De vleugelvormige gedeelten hiervan? [N 60 (1973)]
III-1-3
|
| 22375 |
vlieger |
windvogel:
wêntfògel (Q253p Montzen)
|
Een vlieger (kinderspeeltuig). [ZND 08 (1925)]
III-3-2
|
| 28425 |
vlieggat, vliegspleet |
vlieglok:
vlēxlǫk (Q253p Montzen)
|
Opening aan de voorkant van korf en kast waardoor de bijen in en uit kunnen vliegen. Een vlieggat moet niet te hoog van de grond zijn en liefst niet gericht op de koudste windrichting. ''s Winters kan men het vlieggat in de korf dichtmaken met een rolletje stro met wilgebast omwonden. In de moderne kast werkt men met een vlieggatschuif om de vliegspleet af te sluiten. Wat betreft het woordtype "tijlgat" zij opgemerkt dat het woorddeel "tijl" moeilijk eenduidig is te etymologiseren. Bij het kiezen van de woordtypen heeft de redactie de verschillende verklaringen in het midden gelaten. Het grondwoord is ''ijlgat''. Met het voorafgaande lidwoord ''het'' werd de uitspraak door metanalyse ''tijlgat''. Dus ''tijlgat'' is ontstaan uit ''het ijlgat''. Of in dit lemma alle varianten van ''tijl-'' als metanalyse van ''het ijl-'' geīnterpreteerd kunnen worden, blijft echter een vraag. [N 63, 5a; N 63, 10b; N 63, 5b; Ge 37, 15; monogr.]
II-6
|