e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
vlieggatschuif schuif: šȳf (Montzen) Sluiting van het vlieggat van een kast door middel van een schuif. [N 63, 10c] II-6
vliegplank vliegbred: vlēx˱brɛt (Montzen) Aan- en uitvliegplank bij korf en kast. Onder het vlieggat maakt men een smal loopplankje waarop de bijen kunnen lopen bij het in- en uitgaan van de korf of kast. Aan de vliegplank kan de imker in korte tijd constateren of een bijenvolk gezond is of ziektes heeft. Hij kan bepalen of er al of niet dracht is, of er roverij plaatsvindt, en hij kan aan de vliegplank vele andere observaties doen. Immers, hij moet vermijden vaak in de korf of kast te gaan, daar dit tijd en honingverlies kost en teveel verstoring in de korf veroorzaakt. [N 63, 5b; N 63, 10a; Ge 37, 28] II-6
vlier holunder (du.): gecombineerd met ZND 8 055, idem  haealender (Montzen), vlier: gecombineerd met ZND 8 055, idem  flērə (Montzen) vlierboom (sambucus nigra) [ZND 15 (1930)] III-4-3
vlinder pepel: pi.əpəl (Montzen, ... ), piepel (Montzen), piəpəl (Montzen, ... ) vlinder [GV Gr (1935)], [ZND 08 (1925)], [ZND 16 (1934)], [ZND 18G (1935)] || vlinder, pepel [RND] III-4-2
vlo (enk.) vlo: vlu‧ə (Montzen) vlo [ZND m] III-4-2
vloek vloek: ənə vlōk (Montzen, ... ) een vloek [hiemmeltsakker] [N 96D (1989)] || Een vloek [hiemmeltsakker]. [N 96D (1989)] III-3-1, III-3-3
vloeken vloeken: vlōkə (Montzen, ... ) vloeken [N 96D (1989)] || Vloeken. [N 96D (1989)] III-3-1, III-3-3
vloekje vloekje: ə vløkskə (Montzen) Een vloekje [vluukse]. [N 96D (1989)] III-3-3
vlug lopen vegen: vɛ̄gə (Montzen) Snel lopen (rennen, koersen, vegen). [N 109 (2001)] III-1-2
voederbieten karoten: karūǝtǝ (Montzen), reuben: rø̄bǝ (Montzen) Beta vulgaris L. subsp. vulgaris. De algemene benaming van de bieten die gekweekt worden om als veevoeder te worden gebruikt. De voederbiet groeit grotendeels boven de grond, in tegenstelling tot de suikerbiet waarvan alleen de bladerkruin boven de grond uitkomt. De plant gedijt het best op losse vochthoudende zandgrond en verdraagt zware stalmest- of gierbemesting. Het is vanouds een in Limburg veel verbouwd veevoeder dat in het eigen gemengde bedrijf werd benut. Voor de fonetische documentatie van het tweede woorddeel in de samenstellingen zoals voederbieten, waarvan dat tweede element ook als enkelvoudig woord in het lemma voorkomt, zie onder dat enkelvoudig woord, i.c. bieten. In de vragenlijsten is steeds naar de meervoudsvorm gevraagd. [N 12, 38; N 12A, 1; JG 1a, 1b, 1d, 2b, 2c; A 13, 2b; L 43, 4b; monogr.] I-5