| 28426 |
vlieggatschuif |
schuif:
šȳf (Q253p Montzen)
|
Sluiting van het vlieggat van een kast door middel van een schuif. [N 63, 10c]
II-6
|
| 28427 |
vliegplank |
vliegbred:
vlēx˱brɛt (Q253p Montzen)
|
Aan- en uitvliegplank bij korf en kast. Onder het vlieggat maakt men een smal loopplankje waarop de bijen kunnen lopen bij het in- en uitgaan van de korf of kast. Aan de vliegplank kan de imker in korte tijd constateren of een bijenvolk gezond is of ziektes heeft. Hij kan bepalen of er al of niet dracht is, of er roverij plaatsvindt, en hij kan aan de vliegplank vele andere observaties doen. Immers, hij moet vermijden vaak in de korf of kast te gaan, daar dit tijd en honingverlies kost en teveel verstoring in de korf veroorzaakt. [N 63, 5b; N 63, 10a; Ge 37, 28]
II-6
|
| 24499 |
vlier |
holunder (du.):
gecombineerd met ZND 8 055, idem
haealender (Q253p Montzen),
vlier:
gecombineerd met ZND 8 055, idem
flērə (Q253p Montzen)
|
vlierboom (sambucus nigra) [ZND 15 (1930)]
III-4-3
|
| 24392 |
vlinder |
pepel:
pi.əpəl (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen),
piepel (Q253p Montzen),
piəpəl (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen)
|
vlinder [GV Gr (1935)], [ZND 08 (1925)], [ZND 16 (1934)], [ZND 18G (1935)] || vlinder, pepel [RND]
III-4-2
|
| 24396 |
vlo (enk.) |
vlo:
vlu‧ə (Q253p Montzen)
|
vlo [ZND m]
III-4-2
|
| 21784 |
vloek |
vloek:
ənə vlōk (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen)
|
een vloek [hiemmeltsakker] [N 96D (1989)] || Een vloek [hiemmeltsakker]. [N 96D (1989)]
III-3-1, III-3-3
|
| 21395 |
vloeken |
vloeken:
vlōkə (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen)
|
vloeken [N 96D (1989)] || Vloeken. [N 96D (1989)]
III-3-1, III-3-3
|
| 23962 |
vloekje |
vloekje:
ə vløkskə (Q253p Montzen)
|
Een vloekje [vluukse]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 17937 |
vlug lopen |
vegen:
vɛ̄gə (Q253p Montzen)
|
Snel lopen (rennen, koersen, vegen). [N 109 (2001)]
III-1-2
|
| 33229 |
voederbieten |
karoten:
karūǝtǝ (Q253p Montzen),
reuben:
rø̄bǝ (Q253p Montzen)
|
Beta vulgaris L. subsp. vulgaris. De algemene benaming van de bieten die gekweekt worden om als veevoeder te worden gebruikt. De voederbiet groeit grotendeels boven de grond, in tegenstelling tot de suikerbiet waarvan alleen de bladerkruin boven de grond uitkomt. De plant gedijt het best op losse vochthoudende zandgrond en verdraagt zware stalmest- of gierbemesting. Het is vanouds een in Limburg veel verbouwd veevoeder dat in het eigen gemengde bedrijf werd benut. Voor de fonetische documentatie van het tweede woorddeel in de samenstellingen zoals voederbieten, waarvan dat tweede element ook als enkelvoudig woord in het lemma voorkomt, zie onder dat enkelvoudig woord, i.c. bieten. In de vragenlijsten is steeds naar de meervoudsvorm gevraagd. [N 12, 38; N 12A, 1; JG 1a, 1b, 1d, 2b, 2c; A 13, 2b; L 43, 4b; monogr.]
I-5
|