e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
volwassen, mannelijk varken (ongesneden) beer: bēr (Montzen), bē̜r (Montzen) De benamingen in dit lemma duiden op het volwassen, ongesneden, mannelijk varken. Opgaven voor het volwassen, ongesneden, mannelijk varken die beantwoorden aan de woordtypen berg en barg zijn verplaatst naar het lemma ''gesneden mannelijk varken'' (1.2.2). Zie afbeelding 1. [N 19, 7; RND 46 en 84; S 2; A 4, 4a; L 1a-m; L 20, 4a; L 37, 49d; L 14, 12; JG 1a, 1b; monogr.] I-12
vonk vonk: voŋk (Montzen, ... ) vonk, geinster [ZND 01 (1922)], [ZND 23 (1937)] III-2-1
voogd momber: móómər (Montzen), tuteur (fr.): cf. VD F-N s.v. "tuteur"= voogd  tŭŭtōēr (Montzen) voogd (over minderjarige kinderen) [ZND 08 (1925)] III-2-2
voorbidden voorbeden: vørbɛ̄nə (Montzen) Voorbidden. [N 96B (1989)] III-3-3
voorblad voorste: vø̜ǝštǝ (Montzen) Het voorste gedeelte van het overleer. Dit kan bestaan uit één deel, het voorblad, of uit twee delen, de neus en het voorblad, enzovoorts. In dit laatste geval is het voorblad dus niet het allervoorste gedeelte van het bovenleer, maar het deel dat op de bovenkant van de voet ligt, vlak achter de neus. Zie afb. 20. [N 60, 23; N 60, 21c] II-10
voorblad [wld ii.10, p. 24-25] voorste, het -: vøəštə (Montzen) Het voorste gedeelte van het overleer: de neus met de vleugels (voerblad, voorst, veursten?) Zie tek. 23. [N 60 (1973)] III-1-3
voorbruidje voorengel: dər v"reŋəl (Montzen) Het bruidje dat de stoet van eerste-communicantjes opent, d.w.z. vooropgaat [veuringel]. [N 96D (1989)] III-3-3
voorhoofd ster: də ōͅ:rə van də šteͅə.r (Montzen), schtèar (Montzen), schtéar (Montzen, ... ), Slechts zelden.  sjter (Montzen), voorhoofd: vörhöd (Montzen) de aderen van zijn voorhoofd [ZND 19 (1936)] || Een groot voorhoofd. [ZND 08 (1925)] || ster (voorhoofd) [ZND 07 (1924)] III-1-1
voornemen om niet meer te zondigen vorsatz (du.) om niet meer te zondigen: dər v"rzats vør nēt miə tə zøndəgə (Montzen) Het voornemen om niet meer te zondigen [de vuërzats]. [N 96D (1989)] III-3-3
vooroverduikelen een keukelebok slaan: de kokelebokk schlue (Montzen) hij kan over zijn hoofd tuimelen (buitelen), een tuimeling maken [ZND 08 (1925)] III-1-2