| 34304 |
volwassen, mannelijk varken (ongesneden) |
beer:
bēr (Q253p Montzen),
bē̜r (Q253p Montzen)
|
De benamingen in dit lemma duiden op het volwassen, ongesneden, mannelijk varken. Opgaven voor het volwassen, ongesneden, mannelijk varken die beantwoorden aan de woordtypen berg en barg zijn verplaatst naar het lemma ''gesneden mannelijk varken'' (1.2.2). Zie afbeelding 1. [N 19, 7; RND 46 en 84; S 2; A 4, 4a; L 1a-m; L 20, 4a; L 37, 49d; L 14, 12; JG 1a, 1b; monogr.]
I-12
|
| 19412 |
vonk |
vonk:
voŋk (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen)
|
vonk, geinster [ZND 01 (1922)], [ZND 23 (1937)]
III-2-1
|
| 20174 |
voogd |
momber:
móómər (Q253p Montzen),
tuteur (fr.):
cf. VD F-N s.v. "tuteur"= voogd
tŭŭtōēr (Q253p Montzen)
|
voogd (over minderjarige kinderen) [ZND 08 (1925)]
III-2-2
|
| 23724 |
voorbidden |
voorbeden:
vørbɛ̄nə (Q253p Montzen)
|
Voorbidden. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 30919 |
voorblad |
voorste:
vø̜ǝštǝ (Q253p Montzen)
|
Het voorste gedeelte van het overleer. Dit kan bestaan uit één deel, het voorblad, of uit twee delen, de neus en het voorblad, enzovoorts. In dit laatste geval is het voorblad dus niet het allervoorste gedeelte van het bovenleer, maar het deel dat op de bovenkant van de voet ligt, vlak achter de neus. Zie afb. 20. [N 60, 23; N 60, 21c]
II-10
|
| 18443 |
voorblad [wld ii.10, p. 24-25] |
voorste, het -:
vøəštə (Q253p Montzen)
|
Het voorste gedeelte van het overleer: de neus met de vleugels (voerblad, voorst, veursten?) Zie tek. 23. [N 60 (1973)]
III-1-3
|
| 24025 |
voorbruidje |
voorengel:
dər v"reŋəl (Q253p Montzen)
|
Het bruidje dat de stoet van eerste-communicantjes opent, d.w.z. vooropgaat [veuringel]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 17747 |
voorhoofd |
ster:
də ōͅ:rə van də šteͅə.r (Q253p Montzen),
schtèar (Q253p Montzen),
schtéar (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen),
Slechts zelden.
sjter (Q253p Montzen),
voorhoofd:
vörhöd (Q253p Montzen)
|
de aderen van zijn voorhoofd [ZND 19 (1936)] || Een groot voorhoofd. [ZND 08 (1925)] || ster (voorhoofd) [ZND 07 (1924)]
III-1-1
|
| 23989 |
voornemen om niet meer te zondigen |
vorsatz (du.) om niet meer te zondigen:
dər v"rzats vør nēt miə tə zøndəgə (Q253p Montzen)
|
Het voornemen om niet meer te zondigen [de vuërzats]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 17852 |
vooroverduikelen |
een keukelebok slaan:
de kokelebokk schlue (Q253p Montzen)
|
hij kan over zijn hoofd tuimelen (buitelen), een tuimeling maken [ZND 08 (1925)]
III-1-2
|