| 17979 |
wegkwijnen |
afsterven:
āfṣtɛrəvə (Q253p Montzen)
|
(Weg)kwijnen: langzaam achteruitgaan, gezegd van een zieke ((weg)kwijnen, (weg)kwelen, afteren, aflopen, achteruit gaan). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 33663 |
wei |
wei:
wei̯ (Q253p Montzen),
wēi̯ (Q253p Montzen),
węi̯ (Q253p Montzen)
|
In het algemeen een stuk weiland of grasweide waar het vee graast. Bedoeld is een niet-omheinde weide. [N 14, 50a; N 14, 50b; N 5AøIIŋ, 76d; N 5AøIIŋ, 76e; N M 4a; L 19B, 2a!; L A2, 430; L 4, 40; L 32, 45; JG 1b, 1d, 2c; A 10, 3; A 3, 40; RND 20; Wi 4; R; S 43; Vld.; N 14, 129 add.; monogr.]
I-8
|
| 33658 |
weiland in het algemeen |
wei:
wēi̯ (Q253p Montzen)
|
Het totaal aan grasland waarop men de koeien kan laten grazen en waarop men kan hooien. [N 6, 33b; N P, 5; N 14, 50a; S 43; RND 20; A 10, 3; A 10, 4; monogr.]
I-8
|
| 25677 |
weken |
weken:
wę̄kǝ (Q253p Montzen)
|
Het in het water leggen van de loopzool en ander leer. Hierdoor maakt men het leer elastisch. "Immers, als het leder niet geheel en gans doorweekt is, blijft het van binnen hard, zet zich niet naar de leest, is te hard om doorgesneden te worden en moeilijk af te schalmen en in te plooien. Ook bestaat er gevaar, dat de steken bij het naaien zouden doorscheuren. Een binnenzool, die niet gans doorweekt is b.v. kan niet behoorlijk worden uitgerekt, is hard om te naaien en laat de steken dikwijls uitscheuren. Een buitenzool, onvoldoende doorweekt, kan niet goed geklopt worden; niettegenstaande het langdurig slaan, zal ze den rek niet verliezen." (Aras II, pag. 200-201). [N 60, 95]
II-10
|
| 21528 |
welkom |
welkom:
wélkoem (Q253p Montzen)
|
Hier is hij altijd welkom. [ZND 08 (1925)]
III-3-1
|
| 24071 |
wereldgeestelijke |
weltgeestelijke:
ənə wɛɛltgesləX (Q253p Montzen)
|
Een wereldgeestelijke, priester van een bisdom. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 28401 |
werkbij |
bouw[bij]:
bǫw[bij] (Q253p Montzen),
broed[bij]:
brø̄n[bij] (Q253p Montzen),
haal[bij]:
hǭl[bij] (Q253p Montzen),
voer[bij]:
vōr[bij] (Q253p Montzen),
werk[bij]:
werǝk[bij] (Q253p Montzen)
|
Vrouwelijke bij. De werkbij is aanzienlijk kleiner dan de koningin. De werkbijen of werksters verrichten alle in de bijenwoning voorkomende taken zoals het broed warm houden en voeren, de koningin te eten geven en van cel tot cel leiden, raten bouwen, gebruikte cellen oppoetsen, water, stuifmeel, kleverige propolis en zoete nectar aanslepen, de voorraden opbergen en verzegelen, reten stoppen, de poort bewaken en de woning verdedigen, ventileren en schoonhouden. Op grond van die verschillende functies wordt de werkbij ook wel haalbij, voederbij, bouwbij en broedbij genoemd. In de zomer is een werkster na ongeveer zes weken versleten, in de winter, als er geen buitenwerk te doen valt, leeft ze ongeveer vijf à zes maanden. Men kent dus kortlevende zomerbijen en langlevende winterbijen. Voor het woorddeel (-bij) leest men de woordtypen bij/bie en bien. In welke plaatsen deze woordtypen respectievelijk voorkomen, ziet men in het lemma Bij. Voor de fonetische documentatie ervan wordt ook verwezen naar het lemma Bij. [N 63, 12b; S 3, L 1a-m; JG 1a; N 63, 62]
II-6
|
| 28484 |
werkbijenbroed |
werkbijenbroed:
wɛrǝkbejǝbrūt (Q253p Montzen)
|
Het broed in de kleinste cellen, waaruit de werkbijen ontstaan. [N 63, 24a; N 63, 20a]
II-6
|
| 18280 |
werkdaagse hoed |
werkdaags:
wèrdes (Q253p Montzen)
|
mijn werkdaagse hoed [ZND 08 (1925)]
III-1-3
|
| 21486 |
werkdag |
werkdag:
wèrdes (Q253p Montzen)
|
mijn werkdaagse hoed [ZND 08 (1925)]
III-3-1
|